Russische roulette, het leven zelve

Vervolg op: “Hij is het geweest!”

Laatste zinnen vorig stuk:
“Na drie jaar kwam ik de cel uit en was strontrijk. In dit land kan je je eigen familie onopzettelijk doden en de levensverzekeringen innen. Hoe van de pot gerukt is dat?”

Tom zei niets. Deze vraag viel niet te beantwoorden.
“Ik verplicht mezelf verder te leven. Een zelfopgelegde straf. Mij drie jaar naar de bajes sturen was een wereldse straf. Een aantal jaren me in een cel goed gedragen wiste mijn daden niet uit. Elke dag die ik buiten de gevangenis doorbreng is een echte straf. Nieuwe leien bestaan niet.”
“Vertel mij wat,” dacht Tom zijn eigen achtergelaten vrouw en kind indachtig. Onuitwisbare daden uit het verleden.
“Mijn boetedoening bestaat uit verder leven. Elke ochtend opstaan, wetende dat ik vrouw en kind vermoordde en nooit ofte nimmer ik nog een vrouw zal neuken, aanraken en liefhebben.”
“Waarom zou dat nooit meer kunnen?” vroeg Tom.
“Omdat het niet mag van mezelf. Verleidingen ga ik niet uit de weg. Integendeel ik zoek ze op om ze dan te moeten weigeren. Zoals een godsdienstfanaat zichzelf geselt met een karwats op de ontblote rug. Boetedoening.”
“Ben jij gek Pol?”
“Neen, een mens.”
“Dus leven zonder enige hoop op iets is voor jou je straf?”
Pol glimlachte.
“Ik heb een hoop. Elke maandagavond om acht uur breekt mijn moment van hoop aan.” zei Pol langs Tom heen starend naar de rotonde.
“Dan ga ik in de sofa zitten. Neem het revolver dat ik aanschafte via een ex-bajesklant. Geladen met een kogel geef ik een draai aan de trommel. Zet tegen mijn slaap en haal zonder twijfelen de trekker over. Al vijf jaar lang hoor ik een droge klik op het tijdstip dat een harde klap hun levens wegmaaide.”
“Russische roulette?!” Vroeg Tom stomverbaasd. Pol’s verhaal ging verder dan bizar. Dit was een wandelende gek en een gevaar voor zichzelf.
“Het leven zelf vriend,” antwoordde Pol stil. “Volgende maandag zal het exact vijf jaar zijn dat ik dit doe. Eén fucking kans op zes om hier te mogen vertrekken al vijf jaar lang, tweehonderdzestig keren zette ik het ding tegen mijn kop. Tweehonderdzestig keren klikte het zonder af te gaan. Toeval bestaat niet. Ik moet verder leven. Het lot wil dit zo.”
“Ik geloof niet in het lot.” zei Tom.
“Ik tart het elke maandag. Iets wat je kan tarten bestaat.” antwoordde Pol meteen. “En het gekke is dat ik vurig hoop dat het afgaat, tegelijkertijd voel ik de eerste seconden na de klik van het niet vurende pistool opluchting. Tegenstrijdigheid. Alweer een teken van het leven zelve en mens zijn.”

Krijgt zeker een vervolg

Tom

Russian Roulette, The deer hunter (Embedding is niet mogelijk voor deze video)

“Hij is het geweest!”

Vervolg op: “Ongenadig”

Laatste zinnen vorig stuk:
“Nog wat verdwaasd van de die airbag stapte ik uit. En daar lagen ze. Mijn vrouw. Mijn kind. Ik had hen zonet vermoord.”

Tom was sprakeloos en in een flits dacht hij dat Pol hem een wansmakelijke leugen zat op te dissen. Pol zijn gezicht ziende, liet hij meteen deze gedachte los. Pol loog niet.

“Ze moeten van de muziekles gekomen zijn. Haar tasje met blokfluit lag een paar meter verderop,” ging Pol toonloos verder. “De signalen die mijn ogen naar mijn hersenen stuurden kwamen aan maar werden niet verwerkt. Ik stond erbij en ik keek ernaar. Het bloed sijpelde uit de oorschelpen van mijn kind, het bebloede gezicht met open mond en gebroken ogen had een opgewekte uitdrukking. Mijn vrouw lag er bijna komisch bij. Het leek wel alsof ze bewegingloos de Charleston danste, liggend op de grond. Ik had blijkbaar de pause knop ingedrukt. Haar ogen waren wagenwijd geopend. In de verglaasde ogen stond de paniek nog te lezen. Zij moet mij zien aankomen hebben. Mensen kwamen toegesneld en beseften meteen dat iedere hulp hier te laat kwam.
“Hij is het geweest!” moet een vrouw geroepen hebben. Dat ben ik achteraf aan de weet gekomen, waarop ik een vuistslag kreeg van een grote kerel en neerzeeg op de grond. Ik herinner me alleen dat ik blij was ook pijn te lijden. Al was het maar fysiek. Ik schijn die vent nog bedankt te hebben waarop ik nog een paar schoppen in mijn ribbenkast kreeg. Een gans gezin tegen de vlakte. Zij dood. Ik gewond door die woeste vent. Ik verlangde naar meer schoppen zodat ik hen kon vervoegen. De arriverende politie sloeg de vent in de boeien en het kostte de omstaanders de grootste moeite om hen uit te leggen wat er aan de hand was.
Drie jaar cel was het verdict. Ik zat net boven de limiet van het toegestane alcoholgehalte.”
Tom keek naar de halflege pint die voor hem stond. Zijn mond was gortdroog, toch kon hij nu niet drinken.
“Sorry, dat ik je dit zo plots vertel.” zei Pol stil. Hij kreeg terug kleur in zijn spierwitte gezicht. “Niemand in mijn huidige wereld weet dit.”
“Ok.” antwoordde Tom schor.
“Na drie jaar kwam ik de cel uit en was strontrijk. In dit land kan je je eigen familie onopzettelijk doden en de levensverzekeringen innen. Hoe van de pot gerukt is dat?”

Tom

Kreeg een vervolg: “Russische roulette, het leven zelve”

Noem mij arrogant!

Wat een opluchting! Een keer iets schrijven los van het boek. Fiedelend op een gitaar en rookwolken in het zwerk blazend. Cirkeltjes, hartjes en onherkenbare vormen stoot ik mijn longen uit langs mijn getuite lippen. Ja roken is ongezond moraalridders. Bespaar mij uw betweterige praatjes want goed menen doet u niet. Neen, plezier scheppen in een ander lastig te vallen met uw oeverloos gekwatel daarentegen, daar geniet u van als een op zijn rug liggende hond die over de buik gekrieuweld wordt. Maar geen nood, binnenkort moet ik het roken misschien wel noodgedwongen stopzetten door nooddruft. Waar een crisis al niet goed voor is. Noem mij een pessimist!

Kijk! een rookwolk in de vorm van een jas! Wat houden die jassen de laatste maanden mijn denkspier draaiende. “Jassen?” zie ik u verwonderd denken. Ja jassen! U kent ze wel. Die dingen die u beschermen moeten voor de koude maar die tevens uw schaamtegevoel wegnemen over uw lijfelijke zijn. En ook dat innerlijke zijn heeft zo zijn jassen. De donkere krochten van ons denken laten we niet zo maar los op de medemens. O neen! Brengt mij naadloos bij de moraalridders. Hoe zit het daar met u? Kroop u nooit op een ander wijf of vent? Begeerde u nooit buurman’s rijkdom? Of bent u danig rechtschapen en heiliger dan God de vader zelf? Niet dat ik gelovig ben maar u begrijpt ongetwijfeld waar ik op doel, nietwaar?

Enfin, het gaat hier over mij en niet over u tenslotte. Noem mij arrogant. De weldadigheid van verbale baldadigheid is een louterende bezigheid. Het ronddraaien van dagelijkse rondjes op deze bol maakt mij een beetje duizelig, merk ik. Deze bol draait om zijn as. Op zijn beurt draait hij rond de zon. De zon draait op haar beurt rond een ander zonnestelsel. Die zonnestelsels draaien op hun beurt alweer om een hoop andere sterrenstelstels. Alles en iedereen lijkt wel rondjes te draaien! En van al dat gedraai gaat mijn denkspier raar doen en vragen stellen. Vragen waar ik vele malen het antwoord niet op ken en tussen twee rookwolken door zeg: “Ik weet het niet.”

U daar, die heeft op alles een antwoord kant en klaar, hoe doet u dat?

Tom

Ongenadig

Vervolg op “Verdict”

Laatste zinnen vorig stuk:
Daar op die rotonde ligt zijn bestemming. Daar zal hij een aantal uren zitten, drinken en wachten op het verdict.

Deze knijp heeft haar naam niet gestolen. Tom zit letterlijk in een uitstalraam. Vooraan zijn de zijkanten en voorkant van het café volledig uit glas opgetrokken. Kleine tafeltjes en banken met kussens tegen de ramen moeten zorgen voor zitcomfort. Op dit uur van de dag is het er stil. Tom gooit zijn rugzakje op één van de banken en bestelt aan de bar een pint.
“Zou ze mijn bericht ontvangen hebben?” Vraagt hij zich af terwijl hij al een volgende pint bestelt. Het is een dag waarop het lijf blijft gaan. Ongevoelig door een brein dat weigert de signalen van vermoeidheid op te vangen.
“Pol Verdomme!” kijkt Tom verwonderd op als hij Pol ziet binnenstappen.
Weinig zin heeft Tom in conversatie. Vanuit het uitstalraam het passerende volk en de voorbijrijdende auto´s bekijken op de met kinderkoppen bestrate rotonde is waar hij in stilte wil van genieten. Geen eenzame Pol.
“Dag Tom,” begroet Pol hem en gaat ongevraagd zitten terwijl hij een pint voor Tom zijn neus zet.
“Schol,” zegt Pol en drinkt in een teug het glas leeg.
Nu pas merkt Tom dat Pol er grauw uitziet. Moe.
“Ik had net een pot gewonnen en dronk een groot glas Chivas op mijn overwinning,” Begint Pol plots zonder enige aanleiding. Tom heeft geen flauw idee waar hij het over heeft.
“Dit ontbrak er nog aan, Pol die weer een of ander dramatisch verhaal gaat ophangen.” Denkt Tom verveeld.
“Niemand kon die avond winnen van me. De ene full house na de andere werd me bedeeld. Dronken van het spel en de whisky was ik,” ging Pol verder. Tom twijfelde of Pol tegen zichzelf zat te praten of tegen hem.
“Een van mijn passies was het, dat pokeren,” ging Pol verder met een blik op oneindig. “Bij het verlaten van het achterafzaaltje van het café waar we elke week samen kwamen dronk ik nog een pint op mijn overwinningen. Tijd werd het om naar huis te gaan. Ik moest de dag nadien werken.”
Tom werd Pol zijn gezag beu maar bleef toch luisteren. Veel anders had hij niet te doen tot Koosnaam zou opdagen. Als ze al opdaagde.
“Ik reed naar huis met keiharde muziek en open ramen. Jongens wat had ik een mooie avond.”
Gaat dit ergens over, dacht Tom terwijl hij op de rotonde een bloedmooie vrouw van een jaar of 35 zag langswandelen. Een Aziatische fijnbesneden gezicht had ze.
“En toen reed ik een verkeerslicht door dat op rood stond, draaide vlot af en kon niet meer remmen.” Pol’s gelaat was grijs, verwrongen. Tom schrok bij de aanblik van zoveel pijn op dat gezicht van Pol.
“Daar liepen ze. Een vrouw en een kind. Te snel reed ik om ze duidelijk te zien. De klap was hard en ongenadig. De airbag die in mijn smoel openklapte maakte dat ik plotsklaps nuchter was.”
Tom werd ongerust. Het leek wel alsof Pol terug in zijn auto zat en alles echt herbeleefde. Tom kon niet geloven wat hij zelf op dat moment dacht. Had Pol zijn eigen vrouw en kind overreden met een stuk in zijn voeten. Lang hoefde Tom niet te wachten om zijn gedachte bevestigd te zien.
“Nog wat verdwaasd van de die airbag stapte ik uit. En daar lagen ze. Mijn vrouw. Mijn kind. Ik had hen zonet vermoord.”

Tom

Kreeg een vervolg: “Hij is het geweest!”

“Verdict”

Vervolg op: “Laf?”

De dweilende man stopt zijn machine en kijkt verbaasd. Tom merkt de man op en beiden schieten in een schaterlach. De man applaudisseert enthousiast.
“Koooooooosnaam!” schreeuwt Tom door de enorme hal die echoënd zijn antwoord laat weerklinken.

De dag nadien zal Tom voor 95 euro een ticket bemachtigen. Na het tellen van wat rest, 12,80, inchecken en bij een Mc Donalds een Big Mac bestellen en die verorberen. Drinken zal hij in zijn alreeds vertrouwde toilet aan de wasbakken doen. De blikken slikken zonder verpinken van net in pak gestoken heren wijl het drinken.
Danig overmand door de vermoeidheid van de afgelopen dagen zal hij gewekt moeten bij het aankomen op de nationale luchthaven. Een glimlachende stewardess is wat hij ziet als hij wakker schrikt. Iedereen verliet blijkbaar al het vliegtuig.
“U snurkte nogal hevig.” zal ze er nog schalks bij vermelden.

In de onderaardse hal waar treinen naar allerlei bestemmingen voeren stapt Tom zonder ticket op een trein richting huiswaarts. Een blikken stem kondigt het vertrek aan. Tom diept zijn telefoontje uit zijn broekzak op en bekijkt de berichtjes van de afgelopen weken.
“Veel hadden we elkaar toch niet te zeggen.” denkt hij. Twijfel overvalt hem. Tenslotte was hun afscheid een vaarwel aan verliefdheid geweest van haar kant. “Maak ik mezelf nu wijs dat zij mogelijks nog maar iets voelt voor mij?”

Zij: “Iets drinken vanavond?”
Hij: “Ik ben in Barcelona. Zal niet lukken. X”
Zij: “Alles goed fooraap? X”
Hij “Alles ok hier. Binnenkort terug in ons kikkerland. Soepkieken. X”
Hij: “Gaat het daar?”

Het laatste bericht had hij niet eens beantwoord. De stampei die losgebarsten was met Martina had hem het bericht doen vergeten.
“Het gaat. Ik ben terug. Vanamiddag om 15:00 in café “Het uitstalraam”.” tikt hij en drukt meteen versturen in voor hij zich kan laten overvallen door nadenken.
“Geen terugweg!” denkt Tom. Een van de langste berichten die hij ooit verstuurde. Aan het geknoei met priegelklaviertjes van telefoons heeft hij een hartsgrondelijke hekel.
Elke slag die de wielen over de lasnaden van de bielzen maken brengen hem dichter bij zijn doel. De regelmatige kadans van dit geluid zijn rustgevend.

De laatste etappe van zijn reis is in zicht nadat hij de trein verliet en de tram neemt richting zijn doel. Nog veel te vroeg is hij. “Drank genoeg tijdens het wachten. Het voordeel van in een café af te spreken en niet als een romantische eikel in een godvergeten parkje.” denkt Tom als hij de brede laan oversteekt en aan het eind van de lange straat die hij instapt een reusachtig standbeeld ziet opdoemen. Daar op die rotonde ligt zijn bestemming. Daar zal hij een aantal uren zitten, drinken en wachten op het verdict.

Tom

Kreeg een vervolg: “Ongenadig”

“Laf?”

Vervolg op: “Adiós!”

Laatste zinnen vorig stuk:
“Draag zorg voor Martina gekke Maite!” zegt hij haar.
Te verbouwereerd om te reageren staart Maite hem verbaasd aan.
Tom stapt op deur af zonder om te kijken.
“Adiós!”

Als een andere planeet voelt deze enorme hal van de luchthaven aan. Op amper een uur tijd van een gekraakt pand met mensen zonder duidelijke toekomst naar dit imposant gebouw van marmer, glas en staal, mensen met tijd tekort deden Tom duizelen.
Zijn poging om een ticket te bemachtigen was mislukt. Hij had de honderd euro uit zijn ingenaaide broekzak en nog wat kleingeld. Niet voldoende bleken die vandaag.
“Probeer morgenochtend. Nu en dan zijn er speciale aanbiedingen op het laatste moment” had het frisse meisje van Vueling hem meegedeeld.
“Een plek zoeken voor de nacht is de boodschap.” dacht Tom opgewekt. Zijn woedebui was volledig weggeveegd bij de gedachte aan Koosnaam. Zijn doel voelde aan als een eindpunt. Aankomen waar hij rust zou vinden. Neerzijgen en zeggen: “Ik ben er.”

Een paar uur later verminderde de drukte. De laatste vluchten vertrokken, de laatste aankomende passagiers werden omhelsd, gekust en opgehaald. Alles kwam tot stilstand. Behalve de donkere man, waarschijnlijk een Zuid-Amerikaan, die op zijn dooie eentje rondjes draaide in een dweilmachine viel er niets of niemand nog te bespeuren.
Tom stond op van de bank die hij ingepalmd had en ging buiten een sigaret roken. Zuinig moest hij omgaan met zijn rookwaar. Geen cent kon hij nog uitgeven. Drinken deed hij aan de wasbakken van de toiletten. Eten moest wachten tot hij terug in België was.
“Hopelijk zit ik hier geen week vast.” dacht Tom.
Een gevoel van lafheid bekroop hem tijdens dit roken. Hij kon hier weg. Martina, Maite en vele anderen met hen hadden die keuze niet. Een paar weken had hij mee geprotesteerd. Op een plein geslapen, gedeeld in de klappen en meegeleefd met deze mensen. En nu voelde het aan alsof hij hen in de steek liet. Alsof hij een avontuurlijk vakantietje geboekt had en nu terug in zijn comfortabele cocon van zekerheid kroop.
“Wat jij ouwe?” fluistert hij naar het zwerk. “Laat ik hier mensen in de steek?”
Het zwerk antwoordt niet, dat doet het nooit, toch voelt Tom zich steevast gesteund door zijn oudeheer. Ondanks zijn niet geloven vindt Tom het een rustgevende gedachte en bezigheid, dit stille overleg.
“Alles goed daar pa? Ik mis je. Mij niet teveel missen. Ik denk aan je. Dag pa.” zegt Tom stil tegen de grote beer, mikt zijn sigaret naar de asbak, grandioos de peuk ernaast schietend, en stapt naar binnen. Daar blijft de donkere man onverdroten zijn rondjes draaien. In een opwelling begint Tom een gekke dans in het midden van de immense hal.
De dweilende man stopt zijn machine en kijkt verbaasd. Tom merkt de man op en beiden schieten in een schaterlach. De man applaudisseert enthousiast.
“Koooooooosnaam!” schreeuwt Tom door de enorme hal die echoënd zijn antwoord laat weerklinken.
Tom

Krijgt zeker een vervolg.

“Adiós”

Vervolg op: “De beul”

Laatste zinnen vorig stuk:
Hij had een grote stap achteruit gezet en gezien hoe opluchting haar gelaat verlichtte. Een dankbare blik. Hij had iemand blij gemaakt met een stap achteruit.

En nu neemt het schuldgevoel ook deze keer de overhand. Rustiger is hij nu. Hij ziet het standbeeld van Colombus opdoemen aan het eind van de Ramblas. Ergens naartoe wijzend.
“Net een Hitlergroet.”
De man die meende dat de wereld rond was, de aardappel meebracht, Zuid-Amerika Spaans leerde praten en ze leerde tot God bidden.
“Ook ik moet verder,” dacht Tom. “Alhier heb ik een eindpunt bereikt. Vluchten voor jezelf kan niet.”
Stilaan lijkt het wel of hij tot het besef komt dat hij niet vlucht voor Koosnaam maar voor zichzelf. Zo overtuigd hij zijn verhullende jassen had afgegooid, merkte hij dat hij zonder er zelf erg in te hebben er alweer aan het aantrekken was. Een harde noot zou het worden, maar ze nu terug aantrekken zou het stomste zijn wat hij doen kon.
“Op naar Martina. Afscheid nemen. Terug naar het Noorden. Vandaag nog.”

In het appartement treft hij Martina met Maite aan. Zij werpt hem een vernietigende blik toe. Martina kijkt hem brutaal aan niet van plan om hem zijn onredelijke woedebui zomaar te vergeven.
“Gekalmeerd?” Vraagt ze met een hoge stem waar ook angst in doorklinkt. Tenslotte is hij een grote vent die als hij wil haar pijn kan doen. Weet zij veel dat hij nooit iemand aanraakte tijdens een blinde woede uitbarsting.
“Ja,” antwoord Tom nukkig. Nog steeds niet van plan om zich te excuseren. Zijn schaamte om wat hij deed is nog niet groot genoeg.
“Vete!” roept Maite hem woedend toe. “Ga!”
“Ach val dood! zegt Tom in het Nederlands waarop ze in een waterval verwensingen in het Spaans uitbarst.
“Als dat wijf niet ophoudt ga ik weg in onmin en dat wil ik niet, vraag haar dat ze een wandeling gaat maken. Op dat ze op zijn minst ophoudt!” roept Tom met luide stem over haar gepraat heen tegen Martina.
Martina twijfelt. Nog steeds vertrouwt ze hem niet. Hij die in haar lijf zat, hij die haar uit het gewoel getrokken had en zorg voor haar gedragen had, had haar schrik aangejaagd.
“Ik ben geen klootzak Martina.” Zegt Tom nu zachter. “Ik ga weg. Waarschijnlijk zie ik je nooit meer terug.”
Maite is opgehouden met haar verwensingen aan zijn adres. Het is stil nu.
“Ik vertrek. Nu. Het spijt me.” zegt Tom nu toch overvallen voor een onbestemde liefde voor dit harde maar toch kwetsbare wezen.
Hij stapt op haar af, omhelst haar en kust haar op de mond. Kort en gedecideerd. Raapt zijn boeltje samen, stopt alles in zijn rugzak en stapt op Maite af. Zij kijkt hem hatelijk in de ogen. Tom schiet in een lach, neemt plots haar gezicht tussen zijn handen en drukt haar een kus op de mond.
“Draag zorg voor Martina gekke Maite!” zegt hij haar.
Te verbouwereerd om te reageren staart Maite hem verbaasd aan.
Tom stapt op de deur af zonder om te kijken.
“Adiós!”

Tom

Kreeg een vervolg: “Laf?”

“De beul”

Vervolg op: “Geslagen wonden in hoofden”

Laatste zinnen vorig stuk:
Ondanks zijn nu ouder zijn was hij nog steeds de dwaas die de eerste uren niet zou toegeven hoe onredelijk hij kon zijn.
“Val dood.” zei hij. Stapte met grote passen naar de deur en vertrok. Op de Ramblas zou een slijmspoor van zijn onredelijkheid getrokken worden.

In blinde woede stapt hij in één ruk de Ramblas af. Aan het eind doemt Plaza Catalunya op. Nu is er geen politie meer te bekennen. Het plein en de omringende straten vullen zich met een mensenmassa. Genoeg heeft hij er van. Draait zich om en wandelt de Ramblas terug op. Richting zee. Stilaan kan hij terug normaal ademen. Niets nieuws voor hem. Het verloop van dergelijke woedeaanvallen kent geen geheimen meer voor hem. Nu zal hij rustiger worden en overvallen worden door twijfels, schuldgevoelens. Ooit hadden die hem gedreven tot een stomme daad. Ten einde raad en gedreven door wanhoop was hij richting het plaatselijke metrostation gewandeld van de grootstad in een ander ver land waar hij toen toefde. Vrouw en kind onwetend en geschrokken achterlatend. De herinnering was een veiligheidsgordel geworden sindsdien om geen in plotse opwellingen drastische daden te stellen.

Op het perron had hij gezien dat de metro nog een paar minuten op zich zou laten wachten. Starend naar de gele lijn die malheuren moest voorkomen bij het binnenrijden van het metrostel wachtte hij zijn beul af. De lijn was geflankeerd met bolletjes opdat ook de blinde medemens met behulp van een tastende stok tijdig stoppen zou en niet de sporen op zou donderen.
“Tasten in het duister,” had hij gedacht. “Het is me wat met al dat getast.”
De stalen kabels hadden hun overspannen lied gezongen en kondigden een binnenrijdend metrostel aan.
En toen was de drang de gele lijn over te stappen onweerstaanbaar geworden. Hij keek neer op de stalen bielzen.
“Dwarsliggers,” dacht hij toen. De woorden “Blijven ademen!” herhaalden zich als een gebiedende mantra in zijn kop.
Het naderende metrostel was loom, remmend het zwarte gat uitgereden. De twee koplampen hadden hun nut verloren in deze fel verlichte onderaardse krocht.
Een paar centimeter verwijderd van de boord had hij opgekeken en de treinbestuurster gezien. Ook zij zag hem. Nog een paar meter was ze van hem verwijderd geweest. Door het glas heen had hij wantrouwen gemerkt in haar blik die omsloeg naar paniekerig.
“Een mogelijke springer!” moet ze gedacht hebben.
“Ik kan het mens dit niet aandoen” had hij gedacht. “Mijn ontbreken aan zin tot ademen mag er niet voor zorgen dat zij vanavond huilend haar kroost onder ogen moet komen. Een berichtje in de krant dat iemand sprong, einde verhaal voor de mensheid maar niet voor haar. Zij zal hiermee leven moeten terwijl ze er geen schuld aan heeft.”
Hij had een grote stap achteruit gezet en gezien hoe opluchting haar gelaat verlichtte. Een dankbare blik. Hij had iemand blij gemaakt met een stap achteruit.

Tom

Krijgt zeker een vervolg

Geslagen wonden in hoofden

Vervolg op: “Fuck!”

Laatste zinnen vorig stuk:
“Ik deed niets!” Schreeuwt ze terug beseffend dat ze mogelijks het doodvonnis van een vriendschap tekende.
“Fuck!” schreeuwt Tom in het niets. Het vluchten hangt zijn keel uit.

Het agressieve schreeuwen van beiden grijpt Tom bij de strot. Herinneringen uit een verleden waar vrouw en kind verlaten werden in een ander ver land barsten open als etterende zweren. Daar had hij vele keren zijn lijf voelen opspannen, woede om onmacht gevoeld als er tegen hem geschreeuwd werd. Onmacht omdat woorden blijkbaar niet voldoende bleken en fysiek geweld de oplossing bleek. Nooit had hij een vinger uitgestoken naar een geliefde. Op zo’n momenten rende hij het huis uit en ging verwoed stappen om de opgestapelde agressie als een slijmspoor achter zich te laten op zijn pad. Een stinkend spoor van rottigheid waar niemand ooit om gevraagd had maar die er door de jaren heen wel gekomen was. Een enkele keer was de gierende woestheid dusdanig groot geweest dat hij de boel kort en klein geslagen had. Huisraad, stoelen tafels moesten er een blinde bui van woestheid aan geloven. Tot de laatste splinter had hij alles vernietigd. Om dan in een bui van leegheid te zinken. Dagen aan een stuk waarin hij niets dacht of voelde. Gezworen had hij achteraf dit nooit meer te doen. Woord had hij gehouden. De schrik in ogen van vrouw en kind om zoveel vernietingsdrang om wat hij liefhad was voor hem een vonnis. Levenslang kreeg hij. Deze geslagen wonde in hun hoofden zouden helen, niet zonder lelijke littekens na te laten die telkenmale bij de minste onmin zouden jeuken en herinneren aan dat moment.

Geschrokken maar niet van plan te wijken bekijkt Martina hem vrank. Zij die niet week voor gewapende oproerpolitie was niet van plan zich te laten intimideren door hem.
“Op gelijke voet of geen voet, vriend!” siste ze.
“Welke voet? rund!” Meteen had Tom spijt van zijn woorden. Dat vervloekte geschreeuw maakte hem steevast tot een onredelijke klootzak. Ondanks zijn nu ouder zijn was hij nog steeds de dwaas die de eerste uren niet zou toegeven hoe onredelijk hij kon zijn.
“Val dood.” zei hij. Stapte met grote passen naar de deur en vertrok. Op de Ramblas zou een slijmspoor van zijn onredelijkheid getrokken worden.

Tom

Kreeg een vervolg: “De beul”

“Fuck!”

Vervolg op: “Murw”

Laatste zinnen vorig stuk:
Haar wazige ogen boorden zich vast in de zijne. Het leek wel of ze besloten had dat als ze ook maar knipperde hij daar niet meer zou zitten.
“Je gaat weg zijn als ik durf te slapen.” zal ze plots fluisteren.

“Slaap. Ik ben er als je wakker wordt.” Zegt Tom. Overvallen door een onbestemd gevoel van te moeten waken over haar. “Terwijl ze slaapt laat ik haar niet aan haar lot over.” denkt hij terwijl dat wel zijn oorspronkelijke plan was.
Haar murwe lijf is leeg nu. De oogleden glijden over de glazige oogballen. Een tijd geeft de machinerie het op.
Tom steekt nog een sigaret op en voelt hoe ook hij moe en leeg is. Nu de adrenaline toevoer stopt voelt hij ook de pijn zijn lijf binnensluipen.Een opstekende hoofdpijn en pijnlijke ledematen doen hem beslissen te douchen.

In slip gezeten, het is warm in het apartement bekijkt hij de slapende Martina.
“Wat moet ik met dit wicht? Dat ze verliefd op me is staat als een paal boven water. Raken doet ze me. Maar liefde?” overpeinst Tom.
“Ik mis Koosnaam” denkt hij. Bijna wil hij zijn oorspronkelijke plan ten uitvoer brengen en vertrekken terwijl Martina slaapt.
“Men kan mij van veel beschuldigen maar niet van een schofferende lafaard,” hij besluit te blijven terwijl hij toch vreest dat dat meer pijn dan vreugde bij haar zal teweegbrengen.

Overmand door slaap gaat Tom op de matras liggen waar Martina een aantal dagen terug de eerste keer bij hem kroop om haar eenzaamheid te verdrijven. Hij dondert in een diepe droomloze slaap. Ook zijn lijf geeft het een aantal uren op. Een aantal uren vlucht. Waar hij een aantal weken geleden nogal veel glimlachtte, vlucht hij dezer dagen veel. Vooral voor zichzelf.

Naast hem ligt de goedkope Nokia die plots oplicht en een pieptoon produceert. “Ik mis je” Koosnaam.
Bij het wakker worden zal hij Martina met het ding in haar handen zijn berichten zien doorkijken. Niets zal ze er van snappen. Voor de eerste keer zal Tom woest worden. De woede is voor hem de bevestiging dat koosnaam zijn doel is. Terug moet hij. Terug zal hij. Onmin met Martina wil hij niet. Maar zelfs het laten glijden van haar ogen over de letter die koosnaam schreef, voelen voor hem aan als op indignados inhakkende flikken. Bruut geweld.

De telefoon uit haar handen grist hij. Verwilderd en woest. Wijdbeens voor haar staand.
“Don’t you ever do this again!” schreeuwend.
“Ik deed niets!” Schreeuwt ze terug beseffend dat ze mogelijks het doodvonnis van een vriendschap tekende.
“Fuck!” schreeuwt Tom in het niets. Het vluchten hangt zijn keel uit.

Tom

Kreeg een vervolg: “Geslagen wonden in hoofden”

Volgende pagina →