Kunstenaars

´t is geen werken te noemen. t´ Valt ook niet te omschrijven als tijd verdrijven. Het laat zich niet vatten. Alhoewel de goegemeente er een mening over heeft die ze op schampere toon uitspreekt: Kunstenaars.

Dat ras dat liever lui dan moe is, die soort wiens coiffeur moet dood zijn aan de lengte van hun haar te zien, Het rapalje dat te vinden is in bruinkroegen zich een levercirrose bij malkander sparend, het merk van hun halfplatgedrukte pakje sigaretten op hun longen stempelend.

De schilder wiens poriën doordrongen zijn van terpentijn en met bevlekte kleren nog een bier bestelt. De schrijver die zijn zielenroerselen niet uit zijn pen krijgt geperst, hoopt het antwoord te zullen vinden op de bodem van een volgend glas.

De beeldhouwer met dik eelt op de handen die in elke stoeptegel basismateriaal ziet, balt zijn spieren om de volgende literkroes naar de lippen te heffen.

De heffe des volks moet men dit schorremorrie niet leren kennen, die heeft haar mening klaar, gestoeld op wat vaders en moeders hen leerden: Zorg maar dat je studeert, een goede job en hup, fabriceer er dan meteen een paar koters bij. Kwestie van een bezigheid hebben tijdens de weekenden. Productie moet er zijn. Van broeksknopen tot mensenlevens.

Het heeft een logica natuurlijk, zonder mensen geen behoefte aan broeksknopen. En de volgende generatie zal zijn broeksknoop losmaken om alweer een volgende generatie bij elkaar te vogelen.

Dat die schilder, schrijver en beeldhouwer mogelijks geen werkschuwe sukkels zijn komt niet op bij de buitenwacht. Dat wat in hun ogen onzinnig geklieder is, in hun oren gezwets en tijdverlies klinkt een waarde zou kunnen hebben.

Maar zolang die waarde niet in centen uitgedrukt wordt bij het vallen van de hamer om een geveild schilderij, de drukpersen niet in gang gestoken worden om de inkt te laten vloeien op papier of een blok graniet onder de veilinghamer gaat, zal men spottend horen: Kunstenaars.

Tom

Stront op stront gedrukt

Het wordt wat veel al het moeten. Geen krant kan ik openslaan zonder dat ik verplicht word dingen te doen. Geen tv programma kan ik nog bekijken of het sommeert me ergens een berg te gaan beklimmen, een blauwe zee te gaan bezwemmen of in mijn ledige bestaan een niet te missen museum te gaan bezoeken.

En dan de doden, de lijken donderen ook met bosjes mijn krant uit. Die moeten de verkoop op peil houden van het op gerecycleerd gedrukt papiervod. Daar is wellicht ook gebruikt toiletpapier tussen vermalen. ik lees stront op stront gedrukt. Ik wijk af.

Dat ik nogal veel moet vandaag de dag. Ondanks mijn geprezen menslievendheid word ik opstandig, het verstoort mijn gemoed.

En almaar meer denk ik dat eenieder zich in de zeik laat nemen. Vooral om de omgeving te imponeren. De huizen die ik soms betreed en waar een rijkelijk gevulde boekenkast met ongelezen klassiekers staan waar arme drommels zich dood op zwoegden, waar fotoboeken ook een plaats kregen met bewijzen van betreden plekken op aard en de keuken van een of ander duur merk is. Dan bekruipt me een sterk gevoel van geleefd worden.

Ik moet van mezelf niets meer moeten. Ik betreed amper nog huizen, lees almaar minder kranten. In een tijdperk waar men de robot alreeds uitgevonden heeft maar het ding nog net iets te stom is om zelf te denken, zie ik veel robots van vlees. Geprogrammeerd op geniale wijze, het voldoende te doen geven, de eigenwaarde de grond in rammen om het aan te zetten tot kopen.
Die vleselijke robot doet me denken aan een stuk speelgoed uit mijn jeugd: Een blikken politiewagentje dat met jankend sirenegeluidje reed tot het ergens opbotste, dan reed het achteruit, draaide een een kwartslag en vlamde vrolijk richting volgende muur.
Wie zet iedereen aan tot dat moeten? Georganiseerd complot? Neen. Simpelweg de eerste regel van economie: Creëer een behoefte. En dat doen duizenden, van klein tot groot. Elk wil zijn deel van de poet.

De zomerkatern prijst een of ander ver paradijs aan. U gaat surfen op het Internet naar een prijsofferte. Computer is alreeds aangeschaft, behoefte. U koopt een ticket voor een reis op een kerosine verslindend tuig. De tomaatjes die met trots ecologisch staan te blinken in de achtertuin vergeten we even voor het gemak. Richting luchthaven, vervoer nodig. De taxichauffeur of busschappij bedankt u voor uw bijdrage. Sinds kindsbeen af is u al koffie door de keel gegoten, u kan niet zonder dat vocht des ochtends, dus op de luchthaven het zwarte goud zien te bemachtigen, het meisje van de koffiebar bedankt u alweer voor de bijdrage. Eindelijk kan het tuig betreden worden dat u brengen moet richting paradijs. Na het rammen van een ecologische voetafdruk in moeder aarde van een hoop hectaren is na 12 uur de volgende luchthaven in zicht. Nu lust u wel biertje. De lokale biertent bedankt u alweer, deze keer in een of andere onverstaanbare taal of gebrekkig Engels. Hoe exotisch! Men zou er van gaan kirren.

Daar staat u op de stoep. De straatverkoper trekt u aan de mouw en toont u een aantal zonnebrillen, voor een prijsje in uw terug te vliegen valies te stouwen. Bedankt! De kassa rinkelt, bijdrage.

Terug thuis een aantal weken later, rinkelt de deurbel bij u thuis, u maakt open en verwelkomt de uitgenodigde vrienden met hun bijbehorende koters. Eten werd ingeslagen, voldoende drank, voor de kinderen een of ander gezond drankje, voor uzelf bier en wijn, want op latere leeftijd mag men al eens ongezond doen.

“Waar gingen jullie heen dit jaar?” U zal vol trots naar de boekenkast stappen, misschien al wat onvast ter been, en het fotoalbum met de bewijzen van uw onvolprezen bijdrage aan de economie pakken.

Tom

Liefdeswoede

Met ongeloof in de ogen gebeurt het soms dat mijn minnares zich parmantig van me afdraait. Haar rug laat zien. Me vertellend zonder woorden: Je kan hem op, deze welgevormde rug. Want die bezit ze. En dat weet ze.

De eerste minuten zorgen steevast voor verweesd staren. Niet kunnen verklaren waarom ze dit plots doet. Na deze seconden waar de allesoverheersende stilte, het stoppen van het draaien van de wereld om haar as, het stilstaan van het universum, borrelt het met een eerste luie plop in me op: woede.

In het begin nog traag als een modderstroom waar nu en dan een modderbel tot ontploffing komt. Maar des te hautainer ze zich van me af beweegt, des te dunner wordt de modderstroom.
De verweesdheid maakt nu plaats voor een binnenstromende donkere massa. Met het verstrijken van de seconden woester, tot ze verwordt tot een kolkende massa, alles op haar weg meesleurend. Niets is nog bestand tegen deze ontketende kracht, rede wordt vernietigd, verstand gedynamiteerd, empathie vermoord. Wat ik mezelf soms beschouw, mens met het vermogen tot nadenken, verwordt tot zijn ware gedaante: Een staartzwiepende getergde leeuw die zijn vrouwtjesdier dreigt te verliezen.

Hoe waagt ze het godver zich van me af te draaien?! Ze weet dat ik haar adoreer, haar liefheb als geen ander. Dat haar stijl en elegantie me met koortsachtige bewegingen, genadeloze blik in de ogen doen schreeuwen van intensiteit, zingen van euforie. Dat met haar zesentwintig, zovele malen gebruikt en misbruikt ik als enige haar nooit kwetsen zal. Haar voor het ochtendgloren alreeds liefheb en ze mijn kop penetreert met haar schoonheid en kracht die ze bezit. Ik haar zonder enige gêne ontdoe van al haar sluiers en haar naaktheid aanschouw. Ze toevertrouw aan het witte blad, de sponde waar ze hoort in al haar glorie, haar beddebak waar ze gewillig schaamteloos zich geeft. Haar dijen opent en me inkijk geeft op waar geboorte plaats vindt, genot vloeit. Ze in mijn brein klauwt als een spinnende kat, wijl mijn hand om haar hals grijpt en ik haar bezit. Ze me tot daden drijft die ik voor onmogelijk acht door haar hand over de mijne te laten glijden als een teken van toestemming: Neem me! Ik ben de jouwe.

Van alle reden ontdaan nu door haar wegdraaien ren ik haar achterna. Een paar passen heb ik er maar voor nodig, want verder van me laat ik haar nooit gaan. Grijp in heur haar en sis in haar oor: Wat doe je? Jij, die weet hoe ik je liefheb wil me verlaten? Stop met me bijwijlen te tergen in al je arrogante schoonheid! Heb me lief verdomme! Waar de eerste woorden nog sissend werden uitgesproken, is het nu een schreeuwen in haar oor. Een woede om de liefde die ik voor haar koester schalt.

Maar ongenaakbaar als ze is, in haar zesentwintig gedaantes, beslis ik niet over haar liefde voor me, dat doet zij. Ik, haar minnaar zijnd, moet me schikken. Goed of liefdewoedeschiks.

Tom

Stepping legs

The big square was from her point of view good overvieuwable. During the day her smile went over de the many passersby.

Daily she saw a stream of thousands passing people. At this time of the year nearly all of them tourists. Some of them wandering, others with the tired gaze of hours hobbling in the heat, gathering a collection of vacation pictures. Images to show on family and friend dinners at home, Images that had to proof what kind of fantastic decision it was to book a vacation to this mediterreanan city. Conveniently forgetting to mention what she observed day after day: Despere in the eyes of the lost tourist, anger provoked by the intens heat, waiting man outside shops where wife where looking at and bying fresh flower printed dresses. Spending a capital so that in a future they could show this textile to excited cooing friends at home.

A couple of meter under her smiling face was a youngster living.

He, different than her, could only overview the square at night time. His world was during the day dominated by passing by legs. Not because he was not tall enough but because he was sitting or lying. The eighty centimeter wide and three meter long entrance of this failed boutique was his home. A carton board his kitchen, the one person matras his bedroom, the wooden panels nailed on the windows and filled with posters and graffiti his wallpaper.

A year ago he had discovered this place. She was already there. She had been the one that had smiled inviting him. Words came never out her mouth, she never spoke. But despite her silence was her glance for him a lure: You’re welcome, here beneath me there is a place and safety.

The first day she observed how he took possession of the entrance through installing a carton board. There he slept. The second day he went of and came back in the afternoon bringing a one person matras. The days and following weeks he made a home of it with things found in containers and garbitch fields. A flower pot with a plant, a little cupboard where he kept some tins of fruit and soup, a big stained teddy bear that probably belonged to someone that now had grown up and lost his tenderness and love for things. Not he.

Het talked a lot to her. Shared his worries. Told her with shiny eyes joyful remembrances. Other times cried with her. Crying was reserved for the nights. Despite living in a window of a boutique was showing weakness in this life not allowed.

The owners of the passing by legs did as if he did not exist. Peeked skittish out of the corners of their eyes at the young man. In their world he was an unwashed, in the air talking geezer on a mattress. Considering judging his poordom. Once in a while a compassionate glimpse, poor fool.

“Dear Lucy, I would like so much what drives them. Where their legs constantly step, never stopping. You think they have a goal? Something they keep secret from me because it’s so treasured? And if that is so, why do they keep it as a secret? Do they consider that sharing is repugnant? he asked her. Her silence was his answer: She was wondering the same as he did.
“You make people happy with your smile Lucy. So you found your goal. My goal is understanding the eternal stepping legs,” he ended.

Despite that in the streets of city stealing is common, never anything disappeared from his home when he was not present. Her smile witheld everybody. Some days he went away for hours, others he sat not going anywhere. Nowhere he was expected, anywhere he had to be.

She had arrived at this place brought by whom had created here. On a big piece of wrapping paper she had become alive. Brushstroke after brushstroke had been the labor pain of here progenitor. Derived from his brain

An early morning, weaponed with a bucket of gleu and her rolled up onder his arm he went on the road in this city to share her with the world. A queeste till the place she would tell him. Without words. Wandering a building, wall or house would reveal him: Her she belongs. And as a proud father befits painting many portraits of her smile. His gallery was the street, her art making smile.

The failed boutique became her home

Days went by
Legs stept on
The young man wondered on
The artist kept on sharing
She smiled

Tom

A thankword to El Bocho for letting me use his images: “El Bocho”

Benende benen

Het grote plein was vanop haar plek goed te overschouwen. Tijdens de dag gleed haar glimlach over de vele voorbijgangers.

Dagelijks zag ze een stroom van duizenden passerende mensen. In dit jaargetij bijna allemaal toeristen. Sommigen slenterend, anderen met de vermoeide blik van de mens die al uren in deze hitte strompelde, een verzameling te tonen vakantiekiekjes samen sparend. Het ultieme bewijs bij etentjes en tuinfeesten dat de vakantie naar deze Mediterrane stad een hoogtepunt was gebleken. Dat de beslissing deze reis te maken de enige juiste was. Gemakshalve vergat men op die gelagen erbij te vermelden wat zij met onverstoorbare glimlach dagelijks opmerkte. De wanhoop in de ogen van de verloren toerist, de kregeligheid opgewekt door de hitte, de op stoepen wachtende mannen waarvan de eega in frisse winkels nog frissere jurkjes bekeek en paste. Kapitalen spendeerde om ook dit stuk textiel nog eens op te diepen en verbaasde opgewonden kreetjes slakende vriendinnen mee te verbazen. Een paar meter onder haar lag een jongeling.

Hij kon alleen ´s nachts het plein zien. Zijn wereld werd tijdens de dag overheerst door langsbenende benen. Niet dat het hem ontbrak aan lichaamslengte, wel omdat hij zat of lag. De tachtig cm meter brede en drie meter lange ingang van een failliete boetiek was zijn thuis, het brede karton zijn keuken, de eenpersoonsmatras zijn slaapkamer, de met houten panelen dichtgemaakte etalage zijn behang, beplakt met affiches, bespoten met graffiti.

Een jaar geleden had hij deze plek gevonden. Zij was er al, was degene geweest die hem uitnodigend had toegelachen. Zeggen deed ze nooit iets. Ze keek alleen maar toe. En ondanks haar stilzwijgen was haar blik voor hem een lokroep: Je bent welkom, hier onder me is plek en veiligheid.

De eerste dag had ze toegekeken hoe hij bezit nam van het portaal middels een aangesleurd karton. Daar had hij de nacht op doorgebracht. Op dag twee vertrok hij ´s ochtends en daagde in de middag op met een eenpersoonsmatras. De daaropvolgende dagen en weken hadden voorwerpen, ergens gevonden op vuilnisbelt en in container, er een thuis gemaakt. Een grote bloempot met een varen, een aftands nachtkastje waar hij een aantal blikken soep bewaarde, een grote met vlekken overdekte teddybeer, ooit toebehoord aan een iemand die nu de tedere liefde voor de dingen wellicht ontgroeid was, niet hij.

Hij praatte veel met haar. Deelde haar zijn besognes mee. Vertelde met begeesterde blik zijn vreugde. Huilde bij haar uit. Huilen deed hij bij voorkeur ´s nachts. Ondanks de etalage waar hij leefde, stond dit bestaan het etaleren van zwaktes niet toe.

De eigenaren van de passerende benen deden alsof hij niet bestond. Ontwaarden met schichtige blikken vanuit hun ooghoeken de jongeman. In hun wereld was hij een ongewassen, in de lucht pratend sujet op een matras. Oordeelden over wat zij armoe beschouwden veroordelend. Een enkele meewarige blik werd hem toebedeeld, arme gek.

“Lieve Lucy, wat zou ik graag begrijpen wat deze mensen drijft. Almaar benen ergens henen. Nooit stoppen. Zouden ze een doel hebben? Iets wat zij geheim houden voor me omdat het zo kostbaar is? Als dat zo is waarom houden ze het dan geheim? Vinden ze delen dan verwerpelijk?” vroeg hij haar. Haar stilzwijgen was zijn antwoord: Ze vroeg zich net hetzelfde af.
“Je maakt mensen blij met je glimlach, Lucy. Dus je eigen doel heb je gevonden me dunkt. Mijn doel is de benen te begrijpen,” eindigde hij.

Ondanks in deze stad op bus en metro gestolen werd als de raven, verdween nooit iets van zijn plek als hij op zwerftocht was. Haar glimlach weerhield eenieder. Sommige dagen bleef hij uren weg, andere ging hij nergens heen. Hij werd nergens geacht te zijn, verwacht zich te melden.

Zij was op een vroege ochtend ooit daar terechtgekomen door wie haar schiep. Op een groot vel pakpapier was ze tot leven gewekt in zijn schildersatelier. Penseelstreek en penseelveeg waren de barenspijnen geweest van haar verwekker. Ontsproten aan zijn hersenen.

In de vroege ochtend gewapend met emmer plaksel en haar opgerold onder de arm was haar schepper op pad getrokken om haar te delen met de wereld. Een zoektocht naar de plek die zij hem wijzen zou. Zonder woorden. Wandelend zou een muur, portaal of gebouw hem toespreken: Hier hoort ze. En zoals het een trotse vader betaamt schilderde hij vele portretten van haar glimlach. Zijn galerij was de straat, haar kunst doen glimlachen.

Het werd deze portiek.

De dagen gleden voorbij
De benen bleven benen
Hij bleef zich afvragen
De kunstenaar bleef delen
Zij glimlachte.

Tom

A thankword to El Bocho for letting me use his images: “El Bocho”

Bevruchte herseneicellen

Nooit hielden ze op. Flitsend, onsamenhangend, van de hak op de tak, melige onnozelheden, afgunst, euforie, wit, zwart, donker helder: gedachten. Bijwijlen als schuimende stromen smeltwater door beddingen razend.
Zijn omgeving werd gek van zijn dagen stilzwijgen, andere dagen onophoudelijk de oren van ieders kop praten. Momenten van aimabel mens, momenten van verweesde blikken en afwezigheid.

“Ga naar een dokter!” smeekte die.
Hij deed het. Niet onder druk gezet. Uit liefde. Uit zelfplicht.
Doosjes witte pillen verorberde hij. Miligrammen chemie drongen zijn denkspier binnen en dijkten het kolkende water in. Van rust was nochtans geen sprake, eerder een geleid projectiel. Zijn hersencellen bleven als op bevruchting wachtende eicellen in de baarmoeder toeven. Een voortdurende eisprong onder de schedelpan. Wachtend op een golf zaad die leven zou verwekken in de neuronen.

Het kabbelen van de stroom kon hij niet aan. De lokroep van intensiteit weerklonk. Onweerstaanbaar. Intensiteit waar hij aan verslaafd was zoals een junk snakt naar zijn op een lepeltje borrelende heroïne.
In stilte stopte hij het voeden van de neuronen. Weten wilde hij of de lente terug zou komen. Of het smelten van het bergwater aanvang zou nemen.

Het kwam.
In alle schoonheid, ijskoud helder water. Tevens vernietigend. Alles op zijn baan meusleurend in een stroom van modder. Zijn omgeving liet zich niet bedotten:
“Ga naar een dokter!”
Deze keer twijfelde hij. Hij was wachtende op de golf zaad in zijn herseneicellen. Aan de pil zijnde zouden die nooit levensvatbaar zijn.

En uit het niets kwam die. Onverwachts. Onverhoeds. Ongemeen diep stotend en intens. Vreugde, pijn, verwardheid in zijn puurste vorm. De langverwachte intensiteit maakte zijn opwachting. Danig intens dat hij terugdeinsde de lafaard!
Hij dacht: “Zal ik abortus plegen?”

Tom

Het Walhalla van het hol gekwaak(34)

Vervolg op “Het Walhalla van het hol gekwaak(33)”

Aangezien het elke avond in het haardvuur staren na een tijd ook ging vervelen, want om de lichtbak uit te vinden was het nog niet slim genoeg, begon het verhalen te schrijven. Ridders, jonkvrouwen, narren. Allen kregen een rol. Maar een Spanjaard werd omtrent de jaren 1600 die figuren een beetje beu. Zij veranderden namelijk nooit. Was de held een in metalen pak gehesen blonde adonis met goede bedoelingen aan het begin van het verhaal, dan was hij na het beleven van avonturen nog steeds diezelfde adonis. Die onderweg wel een paar snoodaards lessen had geleerd middels zwaardhouwen en verpletterende goedendags. Er zat geen evolutie of verandering in die ophemelende werkjes.
“Daar ga ik eens verandering in brengen” moet onze Spaanse vriend gedacht hebben en schreef onder een verzengende zon een satirisch, kritisch verhaal over een idioot die meende molens te moeten bevechten. Een grote scheldpartij tegen de mooie ridderverhalen die ik reeds aanhaalde. Hij schreef zowaar een van de eerste romans in de Europese contreien.

Maar al dat geschrijf uit die losse pols met veer en inkt op papier ging op den duur ook vermoeien. Gelukkig had het korte tijd daarvoor een machine uitgevonden die het geschrevene in veelvoud kon produceren en voor velen toegankelijk maakte. Daar kwamen vodden van. Want de ene vond niet dat de andere te slim moest worden door al dat gelees en geleer. Sommigen zouden wel eens van gedacht kunnen veranderen wat geloven betrof. En er was al genoeg veranderd sedert het uit het water kroop. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan en dus ging het door met veranderen. Zij het gepaard gaande met een paar oorlogen waar een hoop miljoenen meteen tot martelaren en aan gort werden bebombardeerd. “Een mens kan zich al eens vergissen”

Het had nu geleerd gedachten uit te wisselen. Toch zou dat gedachten wisselen sneller moeten dacht het. En volgens de enen was de redder in nood een onlangs overleden Amerikaan met zwarte rolkraag, volgens de anderen een aantal gisse Koreanen. Het buigt zich nog over deze kwestie in internationale gerechtshoven. Het knutselde de smartphone in elkander!
Er schijnen ondertussen al meer van die dingen in omloop te zijn dan mensen met toegang tot drinkbaar water. Maar ik zei het al voorheen: We blijven positief. Met dit stukje spitstechnologie kan en mag nu iedereen tante Corrie uitnodigen in milliseconden zonder enige inspanning. Wel moet ze daar misschien wel op een gevleugeld kerosine verslindend tuig voor stappen om nog op tijd aan de rijkgevulde dis te kunnen aanschuiven. En aan die dezelfde tafel zal men tante Corrie loven om haar moestuin en het aankopen van natuurvriendelijke thee. Dat ze daar eventjes een ecologische voetafdruk in de aarde had geramd van een paar hectaren met haar vliegreisje vergat men voor het gemak. De boog kan niet altijd gespannen staan nietwaar.
En al die veranderingen zorgden voor comfort. Voor sommigen toch. Of het er ook gelukkiger is van geworden durfde Sylvain niet meteen te zeggen.

Volgende metro 0m 58s

Vervolg “Het Walhalla van het hol gekwaak(35)”

Tom

“Het Walhalla van het hol gekwaak(33)”

Vervolg op “Het walhalla van het hol gekwaak(32)”

Het vond er geen ander woord voor dan vooruitgang. Hoe meer het bouwde, naar manen vloog, ziektes overwon, hoe meer het zichzelf bewonderde en bejubelde. Wat was het toch een ingenieus superieur wezen dat zomaar los uit de pols alles veranderen kon. Ondertussen bleef het grootste genot aan elkanders genitaliën sabbelen.
Maar niet negatief zijn sylvain, het deed ook schone dingen. Het bedacht op ingenieuze wijze de communicatie middels woorden. Pure jaloezie welde bij sylvain op als hij bedacht dat diegene die op het idee kwam namen te geven aan de dingen dat zomaar mocht en vrijgeleide kreeg van de rest die op jacht ging om ‘s avonds het vrouwtje te imponeren met een dood hert.


Konijn, kip, boom, paljas, zon, maan en apestoned. Alweer zomaar los uit de pols kwatelde het meteen een paar woordenboeken vol. Het bedacht zowaar ook het woord: Liefde! Wat moet het daar op gezwoegd hebben. Want dat onbestemde gevoel dat het soms voor de dingen voelde, het mannetjesdier voor wijfjesdier en vice versa bespeurde, viel niet gemakkelijk te beschrijven. Het deed het verdomme maar toch! Bravo en bedankt daarvoor onbekende voorouder. Een verandering die tellen kan die lettergeleerdheid.

Dat er rond dezelfde tijd een aantal bossen verder ook anderen waren die op hetzelfde idee kwamen om middels keelklanken de dingen te beschrijven zou later nog voor veel miserie zorgen. De ene bedacht het woord konijn, de andere conejo en nog een ander lapin. En blijkbaar had elk zo een beetje het idee dat zijn klank de juiste was en oordeelde dat de rest die goedschiks of kwaadschiks ook zou moeten kwelen. Vraagt u het maar aan de Vlamen of Catalanen. Zij kunnen er u alles over vertellen. Ook de kleur van het leer waarin het gelooid was zorgde meermaals voor heibel. “Een mens kan zich vergissen, nietwaar.”

Maar positief blijven, riep Sylvain zichzelf tot de orde een volgende sigaret opstekend. Al dat namen geven en nu in staat om te keuvelen was wel leuk. Maar hoe verwittigen we tante Corrie die een paar bossen verder woont dat het hert klaar en gaar staat om zes uur en dat zij meer dan welkom is een vorkje mee te prikken?
Het toverde uit zijn net uitgevonden hoed het alfabet! Keelklanken omgezet in tekens! Was me dat even een uitvinding die nog maar een keer de wereld veranderen zou. 26 tekens leken het voldoende. En zo geschiedde.

Het had wel nog af te rekenen met een logistiek probleem. Een aantal eeuwen rondzeulen met stenen tabletten zorgde hier en daar toch voor een pijnlijke rug en het zette zijn denkspier alweer in overdrive en vond het papier uit. Dat was mij alweer een uitvinding van heb ik u daar!

Volgende metro: 1m 00s

Vervolg “Het walhalla van het hol gekwaak(34)”

“Het Walhalla van het hol gekwaak(32)

Vervolg op “Het Walhalla van het hol gekwaak(31)”

“Dus zij doen wat me noemen outbound calls, worden niet gebeld maar bellen zelf mensen,” ging ze verder. “En je weet dat ik al lang iets uitdagender voor je zocht, dus wil ik graag dat jij dit doet,” eindigde ze hem vragend aankijkend.
Sylvain wist niet wat te denken. Hij?
“Waarom ik?” vroeg hij.
“Je bent een stuk ouder, hebt fantasie en kan goed met mensen om. Maakt grappen, komt alle dagen op tijd.”
“Een mooi cv heb ik dacht,” dacht Sylvain. “Oud, grappig en op tijd”.

“Wat is mijn taak dan?”
“Die mensen motiveren, begrijpen wat ze doen en sturen,” antwoordde ze zonder aarzelen. Ze had hier duidelijk over nagedacht.
“En verloning?”
“How, how,” lachte ze. “Je weet hoe het hier gaat, we zijn een beetje rock and roll. We veranderen je contract zeker, maar geef het even tijd. Je weet dat we heel snel uitbreiden en gaan daarom ook een nieuw bedrijf oprichten. Iedereen blijft maar zal een nieuw contract krijgen. Wanneer is nog niet duidelijk. Je werkt je eerst in, komt zeker goed.”
Sylvain kende dit gerock and roll maar al te goed. Zij bepaalden het ritme van de muziek, de werknemer danste naargelang.
“Je mag van mij meteen met het team kennismaken en beginnen, wat denk je?”
“Dat ik zin heb in een sigaret,” antwoordde Sylvain grinnikend.
“Rook er even over na,” grapte ze.

Voor de lift keek hij door het raam. Het grote zonovergoten plein met haar banken. Het terras van de Chinees stond er verlaten bij. Op dit ochtendlijk uur waren de dagelijkse opgefokte call agents nog niet toe aan hun bevrijdende bier.

Een paar minuten later zat Sylvain op een van de banken. Jaagde vuur in een sigaret en nam zijn telefoon.
Tikte: “Ik hou van je,” En verstuurde die woorden naar zijn bestemmelinge.

Deze oeroude vier woorden, de meest herhaalde woorden in de geschiedenis van het beest mens.

De eerste slepende stappen, wellicht een spoor van slijm en water achterlatend, van wat ooit de mens zou worden, had niet kunnen bevroeden dat zijn verlaten van het water de wereld zou veranderen. Nog een lange weg had het zich toen te slepen tot het heden. Maar het zou er komen. Met vallen en opstaan.

Het evolueerde erop los tot het zich oprichtte. Staand had het een beter uitzicht op de te veranderen zaken. Niet alleen lijf en leden evolueerden maar ook de inhoud van de schedelpan. Daar kolkte en kookte het. Het begon te plannen. Ongebreideld en bijwijlen ondoordacht bleek achteraf. Het bleef tenslotte een genetisch licht gewijzigde aap. Het bedacht het gezegde: Een mens kan zich al eens vergissen. En of het zich kon vergissen, dacht Sylvain.

Dagelijks was het vastbesloten daar het bewijs van te leveren alvorens zich ter bedstede te begeven en zich aldaar ongebreideld voort te planten. Het begon de aarde te bewerken. Het moet gedacht hebben: Al dat gras, modder, aarde, bloemen gaan op den duur ook vervelen, wij richten hier de boel wat comfortabeler en moderner in. Het plamuurde de aardkorst met asfalt en macadam, het bouwde niet meer in de breedte, maar in de hoogte. Het vond een leuke bezigheid: Competitie. “Ik bouw vier verdiepingen hoog!” kreette een verlichte Romeinse architect! “Ik vijf!” riep aldaar weer een ander. Ondertussen roept men vanuit Dubai: Wij zitten al bijna aan een kilometer! Het doet me denken aan het liedje, dacht Sylvain, dat ik als knaap getooid in korte broek en rugzakje op trektocht zong: Zo gaat het goed, zo gaat het beter alweer een kilometer!

Volgende metro: 1m 01s

Vervolg: “Het Walhalla van het hol gekwaak(33)”

Tom

Het Walhalla van het hol gekwaak(31)

Vervolg op “Het walhalla van het hol gekwaak(30)”

Een paar uur later werd Sylvain op de schouder getikt. De bazin.
“Heeft u een tandenstoker of pen in de buurt meneer?” Ging Sylvain verder tegen een arme sloeber zonder Internet.
Sylvain draaide zich om en knikte vragend naar Catherine.
Die nam de pen en notablok die voor Sylvain zijn neus lag en schreef snel in bijna onleesbaar handschrift: Als je gedaan hebt, zet je status op “Supervisor meeting. kom bij me. Wil iets vragen”.
Sylvain knikte haar toe wijl zeggend: “Dan wacht u tien minuten, uw modem zal heropstarten en dan zou alles moeten werken” terwijl hij dacht: “Wat zou die nu van me willen?”

Catherine was een energiek muisachtige vrouw. Snel helder pratend met brede aangename glimlach, velen aanmoedigend en motiverend. Men moest al het gebouw in de fik steken voor ze iemand ontslaan zou. Zij was diegene die door een groepje investeerders was uitverkoren om dit call center op poten te zetten.
Op amper een paar jaar was het uitgegroeid tot een echt bedrijf. Werkten er al meer dan 100 mensen. De laatste tijd had Sylvain gemerkt dat ze almaar minder lachte, steeds meer op haar werkplek haar kop liet zinken achter haar scherm en met duizend dingen tegelijk bezig was. Serieuze blik, op het randje van kregelig. Het werk groeide haar over het hoofd.
Hij vroeg zich af wat haar dreef. Ze scheen twee kinderen te hebben en getrouwd te zijn. Leek dag en nacht bereikbaar te zijn voor dit bedrijf. Wat zou ze verdienen?

“Dan wens ik u nog een fijne ochtend meneer,” beëindigde Sylvain van wat zijn laatste gesprek zou worden. Maar dat wist hij toen nog niet. De woorden: “Dan wens ik u nog een fijne dag namens mij en Scharlaken klantendienst” had Sylvain nooit uit zijn strot geperst gekregen. Vele keren was hij daar op aangesproken, bij evaluaties punten afgetrokken. Het was zijn kleine daad van verzet. Veel meer daden van verzet had hij niet in zijn arsenaal. Te onbetekend was hij.

“Zeg het eens Catherine,” zei Sylvain luid. Met zijn handen op het schot van haar werkplek steunend.
Verstoord keek ze op. Zag Sylvain, leek haar gedachten te ordenen in tienden van seconden en leek als een computer de juiste map uit haar brein op te diepen en kwam meteen ter zake.
“Sylvain, kom, we gaan daar zitten”.
Daar was een tafel met zes stoelen die aan de rand van deze verdieping stond. Waar de bazen zaten als die van het rijke thuisland kwamen ingevlogen. Daar een aantal dagen heel gewichtig met hun laptops zaten te werken, Skypen en terug met de noorderzon vertrokken als alles in orde leek.

“Wat zou je er van vinden een team te leiden Sylvain?”
“Welk team,” vroeg Sylvain. Geheel onverwachts kwam deze vraag niet. Al eerder had ze hem gezegd dat ze hem niet kwijt wilde. En hem niet kwijtraken kon door hem niet te veel jaren aan een telefoon te laten hangen tot hij opbranden zou.
“Global Circle” antwoordde ze.
Sylvain had al gezien dat op dit verdiep een kleine groep mensen hun eigen hoek hadden. Veel ontspanner zaten te bellen dan Scharlaken medewerkers.
“Wat doen die?” vroeg Sylvain.
“Bellen!,” lachte Catherine.
Sylvain glimlachte en zei niets. Wachtte op wat komen ging.
“Global Line levert betaaldiensten, betaalmachines in tankstations, restaurants en kleine handelaren. Die mensen die hier zitten bellen bestaande klanten op met een voorstel om hun abonnement te veranderen en een goedkopere offerte. Dat team is drie maanden geleden begonnen en is nooit goed op dreef gekomen. Hun teamleader nam ontslag al een maand geleden en we hebben dingen laten verwateren.”
Sylvain liet haar praten. Luisterde. Keek tersluiks op zijn horloge. Hij had zin in roken.

Volgende metro: 1m 04 s

Vervolg: “Het Walhalla van het hol gekwaak(32)”

Tom

Volgende pagina →