Mens Sane?

“Ik zal toch ergens moeten beginnen,” dacht hij. “Zo kan het niet verder.

De bewegingloze voeten intrigeerden hem. Het hadden evengoed dode voeten kunnen zijn ware het niet dat er bloed door stroomde. Hoe hard zijn hersenen ook hun best deden om de uitgestuurde signalen te doen arriveren bij de lichaamsdelen er was geen beginnen aan.

Het eerste daglicht gloorde tussen de rolluiken. Zijn blik ging naar zijn handen. Hetzelfde verhaal. Bewegingloos. Het enige wat hij nog kon bewegen was zijn hoofd. Niet veel, maar toch. Er zat beweging in als hij zich inspande. Vanuit de hoek van de woonkamer waar zijn bed stond was het daglicht een welgekomen verandering. Ganse nachten lag hij in het donker te wachten tot de klaarte kwam. Nu en dan dommelde hij in maar die momenten waren kort. Hoe zou hij kunnen slapen? Van al dat niets doen werd hij niet slaperig. Vermoeid wel, maar niet slaperig. Het digitale uurwerk met grote cijfers was zijn enige metgezel tijdens de lange uren. Het was een cadeau van Tom. Die had gemerkt dat zijn vader de laatste tijd met halfdicht geknepen ogen ingespannen naar het kleine wekkertje bovenop de televisie zat te staren. Om zich er van te vergewissen dat pa’s gezichtsvermogen achteruitging had Tom hem vanuit de keuken gevraagd hoe laat het was. Hij moest het antwoord schuldig blijven. Hij zag de cijfers niet. Zonder er een woord over te reppen had Tom de Vaderdag daarop deze klok meegebracht.

Weerpraatje

Als ik niet weet over wat te zeiken dan hou ik een weerpraatje. Let wel, ik weet altijd wel iets maar die zaken zijn niet altijd de uwe, vandaar: het weer.

Vele jaren terug haatte ik de zomers hier. Veel te lang, veel te warm. Drie maanden niet kunnen slapen omdat binnenshuis de temperatuur weigerde onder de 33 graden te zakken kon al eens wrevel opwekken. Wat merk ik de afgelopen weken? Dat de winter mijn kloten uithangt. Zonneschijn is er wel maar elke derde dag zonneschijn wordt gevolgd door twee druilerige dagen. Ik wil mijn aardappeltjes kunnen schillen gezeten op mijn boomstronk die tegen de gevel aangerold ligt. Niet kijkend vanuit een raam waar de mist mij het zicht ontneemt op de omringende bergen. Is dat dan teveel gevraagd?

Vandaag is het een dag tussen hangen en wurgen. Noch mossel noch vis. Toch kan ik een besneeuwde bergtop ontwaren in de verte. Het is een begin. Een windje die de wolkenmassa naar andere contreien drijft zou welkom zijn om van mij een tevreden mens te maken, weersgewijs gesproken.

Ik ben tevreden met weinig.

Tom

Oogklepjes op en snaveltjes toe

Ding dong, ding dong. Iemand nog eventjes de tijd genomen om stil te staan? Neen? Ook goed. Dan klaar ik deze klus wel in mijn eentje.

De Haïtianen liggen met z’n allen gezellig te keuvelen over wat er deze avond aan vreet te rapen zal vallen. Hier en daar zelfs een onvolledige Haïtiaan. Dat mag de pret niet drukken, gedeelde smart is sociale smart. Elk zijn deel is niets te veel!

In Irak doen de bedrijven die surprise acts organiseren dezer dagen gouden zaken. Soms overdrijft er eentje en zorgt het gebraden mensenvlees voor reukhinder. Het oorverdovende lawaai van deze feestjes nog daargelaten. Eventjes telefoneren naar de rijdende rechter. Tring, tring. Geen antwoord. Die is waarschijnlijk ook aan het feesten.

Waar reizen we nu naar toe? eventjes kijken. Tuurlijk, Kabul. Avontuurlijk nachtleven, wat je daar wel niet ziet zijn teven. Neen, geen last aldaar van een lichtekooi die kortgerokt en opgemaakt de straat onvelig maakt. Decente dames die zelfs handschoenen dragen om hun lichaam niet prijs te geven aan de geile blikken van de reuen. Geen gesnoef met een mooie poes.

Ik laat de klok maar verder lopen en stop hierbij het stilstaan. Een mens zou nog gaan denken: Hier klopt iets niet! Oogklepjes op en snaveltjes toe, en allemaal naar onze warme nestjes.

Tom

Een gedachte heeft veel weg van een ongeluk, ze komt nooit alleen

Een mens moet iets dacht ik deze ochtend en ik besloot prompt een blogstukje te schrijven. Meteen daarop vlamde door die denkspier van mij dat als een mens iets doet hij dat evenwel goed kan doen. Een kleine extra moeite.

Een gedachte heeft veel weg van een ongeluk, ze komt nooit alleen. Na al deze Christelijke gedachten van goed en kwaad schakelde ik in overdrive en meende mij te moeten afvragen wie dat beslist wat goed en slecht is?

En toen blokkerde alles. Ik zei het al, een ongeluk komt nooit allen.

Tom

Blubber

Deze ochtend is de blubbermassa van mijn denkspier in nevelen gehuld. Ik kuste de hond, aaide mijn vrouw en scheet rechtstaande voor de toiletpot. Bij de eerste twee acties merkte ik niets vreemd. Doch toen de excrementen langs mijn bilwangen en billen neersijpelden registreerde mijn denkspier deze ondoordachte actie en besloot op halve kracht de dag aan te vangen.
Ze functioneerde net voldoende om mij vloekend naar het toiletpapier te doen grijpen en zo goed en kwaad als het kon de opgelopen averij af te vegen.

Om verdere malheuren te voorkomen ging ik naast de grote haard in de keuken zitten op mijn rieten stoel en staarde ik in wat overgebleven was van het gestookte vuur de vorige avond. Gebiologeerd door de nasmeulende as fluisterde ik stilletjes: “Ik wil koffie.” tegen niemand in het bijzonder.

De blubber van mijn deerne is er eentje met spierballen. Haar denkspier mat in een flits mijn toestand op en kwam tot de conclusie: “Hij heeft koffie nodig!”

Dat is de reden waarom ik na vele jaren nog steeds staplezot ben van mijn deerne. Niet alleen omstrengelen onze lichamen zich, onze hersenen dansen ook de wals van de symbiose.

Daar valt best met te leven.

Tom

Ik weet hoe laat het is

Een polshorloge draag ik niet. Een hang-, of staanklok is in mijn stulp niet te vinden. Een behoefte om de voorbijschrijdende tijd uitgedrukt te zien in uren, minuten seconden heb ik niet. En toch wordt ik voortdurend geconfronteerd met nummersgewijze of wijzersgewijze tijdsbepalingen.

Over een wekker beschik ik niet daar ik weinig slaap nodig heb. Het digitaal klokje op de microgolfoven is de verteller van het eerste uur des ochtends. De volgende boodschapper zijn de vier cijfertjes rechtsonderaan op mijn computer. Bij mijn dagelijkse uitstapje naar de plaatselijke knijp valt mijn oog meteen op het grote uurwerk dat er hangt: “Café do Brasil, twee fijne goudkleurige wijzers.

Een draagbare telefooninstallatie heb ik gelukkig niet of ook deze zou mij op droge, bijna pesterige manier drukken op de vooruitgang van het universum. Er is geen ontsnappen aan. Overal en ergens tikken uurwerken die aansporen tot nog meer haast.

Voor U het weet is het te laat.

Tom

Op tijd en stond een grapje

Zou men honderden pagina’s kunnen volkladden met een beschrijving van een voortkabbelend leven zit ik mij af te vragen? Neen, natuurlijk niet concludeer ik meteen. Er moet een dosis sex in , een geut verdriet, een brokje drama en op tijd en stond een grapje.

En toch blijft dat voortkabbelen mij bezighouden. Tenslotte is dat de gemene deler in al onze levens. We maken ons al eens druk om een verkeersboete, om de favoriete kandidaat die uit een zangprogramma wordt gekegeld, om de buurman die het nodig vindt zijn gazon aan een knipbeurt te onderwerpen op een ontiegelijk uur van de dag.

Koekoek, kabbel, kabbel.

Het is een uitdaging om al dat gekabbel in een niet vervelend verhaal te gieten. Met een beetje sex, een geut verdriet, een brokje drama en op tijd en stond een grapje.

Tom

Sterker dan mezelf

Het is sterker dan mezelf. Soms moet ik de baan op met mijn tweewieler, liefst ’s nachts. Bij het uit de stal duwen van het ding klopt mijn hart een ietsje sneller. De sleutel in het contact wacht om omgedraaid te worden en mijn duim tintelt om de startknop in te drukken. In vroegere jaren hadden motorrijders een gespierde dij omdat ze steevast vijftien keren keihard het ding in gang probeerden te trappen. Vandaag hebben ze een stevige duim.

Mijn ros is technologisch modern. Stroomlijnsgewijs is het een no-nonsense ding. Twee wielen, een benzinetank en een zitje. In het jargon wordt zoiets vandaag de dag een “nakedbike” genoemd.

Als de vier cilinders met elk 250cc inhoud en elk voorzien van 4 kleppen tot leven gewekt worden gaat mijn hart alweer in een hogere versnelling. Eenmaal van het erf, opschakelend en gas gevend kan ik nog het gevoel oproepen dat ik als kind kreeg bij het ontdekken van iets nieuws. Keer op keer lukt dat. Zelfs bij het schrijven van deze onzin klopt mijn hart sneller.

Wat ik ten allen tijde vermijd zijn andere motorrijders. De meesten laten pronkerig hun rijtuig glimmen op een of ander terras. Dat kan ik niet, ik voel me een lulletje. Vandaar het nachtrijden. Nog een voordeel van dat tijdstip is dat er niemand te bespeuren valt.

Een beetje adrenalinjunk zijnde zoek ik na twee uurtjes bergop, bergaf, links en rechts snorrend een stuk autosnelweg op. Bij het oprijden van die betonnen linten die zowat alle bestemmingen met elkaar verbinden, die economische aders waar miljoenen tonnen goederen hun bestemming vinden, neemt het vandepotgerukte in mij het over.

11.000 toeren, eerste versnelling, 100km per uur, opschakelend, kort, nijdig naar twee. 155 kkm per uur, de volgende knik van mijn voet sommeert de versnellingsbak naar derde, 200. vierde 235, vijfde 255, zesde 275. Drie rijvakken waar niemand is. Ik schreeuw het luid uit in mijn helm. In de verte bespeur ik de achterlichten van een vrachtwagen. Einde plezier. Ik ga geen anderen in gevaar brengen. Mijn handen trillen nog na van de adrenaline. Ik keer terug langs de bergbaantjes naar mijn stulp. Onderweg stoppend aan een bosrand om een sigaret te roken en het zwerk te bewonderen.

Ik ben een gelukkig mens.

42

Een mens moet iets dacht ik deze ochtend. Bij het tegen het lijf lopen van een huisgenoot kreeg ik een gelukwens. Dat was het! Ik moest verjaren vandaag. Het antwoord op de zin van het leven, het magische getal 42 valt mij vandaag te beurt. Of dat is althans wat Hitchhikers guide to the galaxy concludeert.

Het is nog maar net dat ik dit Walhalla binnentreed, antwoorden zijn er dus nog niet. Maar op 11/1/11 zullen vele vragen die ik vandaag heb beantwoord zijn.

Tom

Vloms

Het gebruikte register is erg Vlaams. Het is daarom voor Nederlandse lezers af en toe onduidelijk wat er bedoeld wordt. De betekenis van spijt (pag. 3) wordt voor Nederlanders uitgelegd. Dit werkt erg grappig en er wordt duidelijk dat de verteller zich ervan bewust is dat sommige uitdrukkingen niet geheel begrijpelijk zullen zijn voor Nederlanders, maar dat door continue verklaringen het effect ervan verdwijnt.

Dit is een stukje uit het leesverslag dat ik won van Paul Sebes. Na het lezen van deze opmerking stapte ik naar buiten en ging op de boomstronk zitten die tegen mijn huis ligt aangerold. Niet zonder alvorens voldoende rookwaar meegenomen te hebben. En een blik Schweppes. Ik las dit namelijk ’s ochtends. Dan drink ik geen alcoholische vñoeistoffen.

“Erg Vlaams” mijmerde ik. “Ja, dat zal wel kloppen. Ondanks ik vele jaren weg ben uit Vlaanderen zal ik wel een Vlaming blijven vermoed ik. Dus al bij al is deze commentaar een goede. Er goed over nadenkend is dit een heus compliment. Boon schreef vloms, dat doe ik blijkbaar ook!

Tom

Volgende pagina →