Schrijnende nutteloze gedachten waarvan hij niets meer verwachtte.
Paulus de Mol, Pol De Mol genoemd in de wandelgangen van het leven trok zijn ogen open en zag tussen de spleten van het niet volledig neergelaten rolluik het eerste ochtendgloren binnensijpelen.
“En nu?” vroeg hij zich af toen hij naast zich keek en zijn snurkende geliefde opnam. Haar halflange haar lag warrig over haar wang gedrapeerd. Een druppel kwijl sijpelde uit haar linkermondhoek. De zin bekroop Pol de kwijl op te likken, maar deed het niet. Hij kende haar ochtendhumeur. Ook kende hij haar afkeer van lichamelijk contact sedert hun laatstgeborene. Ze zag hem graag, daar twijfelde Pol geen seconde aan, maar kussen, vrijen en zich tegen elkaar vleien was verleden tijd.
Toen het kind er kwam, dacht Pol nog dat de afkeer tijdelijk was. Tenslotte is zo’n nazaat baren een ware aanslag op het vrouwenlichaam. Dat lijf en dat wijf moeten tijd krijgen om te recuperen, dacht hij vergoeilijkend. Pol hield van zijn vrouw. Maar toen het kind reeds zijn eerste stappen had gezet bleef Pol op zijn honger zitten. En toen het kind zijn eerste boekentasje naar het kleuterklasje sleurde bleef er niks gebeuren. Het kind blies twaalf kaarsen uit en nog steeds stelde mevrouw alles uit.
Pol was begonnen met een hobby na een jaar van celibaat en hij was er mee gebaat. Uren kon hij staren naar zijn verzameling bekers en pennen. Zoals hij ook op zijn werk uren kon staren naar de te controleren belastingaangiftes.
Het waren natuurlijk niet zomaar pennen en bekers. De pennen droegen een afbeelding van een schaars geklede vrouw. Het kantelen van de pen ontkleedde de deerne en liet haar volle naaktheid zien. De bekers vergden iets meer inspanning om de ook daar schaars geklede vrouw zich te laten ontkleden. Zij moesten gevuld met een warme vloeistof.
Nooit had zijn vrouw zich afgevraagd waarom hij bij het uitoefenen van zijn hobby steevast een emmer kokend water naar zijn hobbykamertje droeg. Ze was allang tevreden dat Pol haar niet meer lastig viel en niet wrang kloeg over de drang die hij niet verdroeg. En toch hielden ze van mekaar, laat daar geen twijfel over bestaan.
Pol draaide een pen om en zag hoe de zwarte vloeistof verdween en een mooie blonde, voluptueze deerne verscheen. Hij vulde zijn favoriete kop met heet water en ook aldaar deed zijn favoriete brunnette haar negligé gewillig uit.
Hij glimlachte om zijn schrijnende nutteloze gedachten waarvan hij niets meer verwachtte.
Isidro’s reis richting paradijs kwam tot een abrupt einde
Idrissa Diallo was de naam. Zijn verhaal is dat van duizenden. Een geboorte in een geografisch minder bedeelde plek op deze bol en waar het vrij oncomfortabel toeven is. Het weer doch, schijnt er goed te zijn. Alle dagen zon.
Een trektocht van Guinea richting Europa werd ondernomen. Eens in Marokko geraakte hij ook nog eens tot aan een van de poorten van Europa die Afrika rijk is: De kuststad Melilla, een van de twee stukjes Spaans grondgebied in Marokko. Maar die poort is klein en langs beide zijden geflankeerd door een zes meter hoog hek dat rondom dit stadje staat en tot diep in de zee doorloopt. Sommigen zijn niet bedreven in het polstokspringen zonder stok over dat hek en proberen het zwemmend hadden die gisse poortbewakers al jaren geleden opgemerkt.
Idrissa zijn verbetering wereldrecord rennen, vallen en weer opstaan eindigde in tranen: Hij werd geklist en zonder enig delict of misdaad gepleegd te hebben vastgezet in een interneringskamp voor vreemdelingen. (CIE: Centro Internamiento Extranjeros) in Melilla. Op 22 december 2012 drong een reisje naar het Internerings Centrum voor Vreemdelingen in Zona Franca, het havengebied van Barcelona, zich blijkbaar op. In afwachting van een beslissing over zijn lot. Een beslissing die binnen de 60 moet genomen worden.
Isidro’s reis richting paradijs kwam tot een abrupt einde in de vroege ochtend van 6 januari terwijl de Spaanse kindjes met glinsterende oogjes hun drie koningen cadeautjes in ontvangst namen: Een plotse niet gewelddadige dood luidde het officiëel.
De derde dode in minder dan drie jaar tijd in datzelfde centrum. De poppen gingen aan het dansen en een onderzoek zal ingesteld worden. Vijf celgenoten beweren dat er veel te lang gewacht werd met hulp bieden. Maar naar wat zal er gezocht worden? Er zijn geen regels of wetten voor de CIE. Niets de ballen. Een gevangene die vastzit in eendere welke Spaanse gevangenis en dus wel degelijk iets meer op zijn kerfstok heeft dan over een hek duikelen, heeft meer rechten dan een geïnterneerde in een vreemdelingencentrum. Deze bunkers van schaamte, goed afgeschermd voor de blikken van de flanerende Rambla toerist herbergen niet alleen vreemd gespuis maar ook onfrisse praktijken. De afgelopen jaren zijn er karrevrachten aan klachten binnengelopen via de advocaten van een paar van die,volgens sommigen, onverlaten.
Vele tapijten lijken voorhanden om deze “akkefietjes” onder te vegen want niets werd er mee gedaan. Binnen de zestig dagen worden ze gedeporteerd of herwinnen ze hun vrijheid. Dus die amokmakers snel de mond proberen snoeren en vergeten lijkt de gehanteerde maatstaf.
Hun enige misdaad? Niet beschikken over een paspoort dat voor de een kwaliteitslabel blijkt, voor de ander een doodvonnis.
Tom
Wat een toeren!
Het asfalt rolt zich voor mij uit. Dat doet het natuurlijk niet echt, wel in mijn getormenteerde kop. De met teer bezoedelde stenen zijn daar met veel zweet en machinerie geplamuurd in het landschap omdat iemand het nodig vond twee dorpen te verbinden opdat men zich op een snellere manier van het ene naar het andere kon verplaatsen. Waarom dat snel verplaatsen blijft alsnog de vraag die niemand zich niet meer stelt. Waarom zijn de bananen krom? daarom! geen verder gezeik.
Toch komt die asfaltlaag mij best uit. Ondanks mijn eeuwig optimisme moet ik nu en dan ook even alle goorheid van dit mensenbestaan doorslikken. Ik start mijn motor, wat niet meer of niet minder is dan in een mal gegoten stuk plastiek en metaal dat doet wat ik ervan verlang, zijnde: loeihard acceleren en remmen. U zal mij niet betrappen op uitlatingen zoals: Eerst mijn motorfiets en dan mijn vrouw en kinderen. Het is mijn fout niet dat er wezens rondlopen met drie hersencellen, namelijk : een voor het schakelen, een voor het gas geven en een voor het remmen.
Toch kan ik de brute, rauwe kracht die van zo’n ding uitgaat meer dan smaken. Wat zeg ik? Ik ben er verzot op.
Eerste versnelling, loeihard, 12.000 toeren per minuut, 105 km per uur, tweede tot het einde, 160 km per uur, zwaar in de ankers, daar komt het eerste stuk geplaveide asfalt dat een bocht vormt. Opgepast, kniezwengel, het ding laten hellen met de hoop dat de Bridgestone zijn belofte waarmaakt: niet wegglijden met aan hoge snelheid de zwaartekracht tarten. Hij doet het! Een dot gas bij en op naar derde. 210 kilometer per uur. Nog 1200 meter tot aan de volgende bocht. Dus op naar vierde. 245 kilometer per uur. Doodstil zit ik op het ding, geen enkele fysische inspanning wordt van mij verlangt. Behalve mij vastklampen en de pols een aantal graden draaien.
Lichaam rechtop en vol remmen, het rechte stuk is alweer voorbij. Ik draai de laatse bocht rustiger in. Ik ben thuis.
Ik stop aan het hek en leg de motor af. Het tikkend geluid van de gefolterde motor klinkt samenzweerderig, we hebben de dood en de zwaartekracht alweer getart met een overwinning. De bergen, mijn stulp en mijn machine staan er rustig bij. Ik zie dat het goed is. Ik ben weer klaar voor de volgende dijkbreuk aan ongure reuk en walmende medemensen.
Tom
Merde alors! Geen warm water!
Ondanks een druilerige dag alhier voltrok het rollen van mijn stoel wijl in luid uitbarsten van een bluderlach zich voorspoedig. Een keiharde economische crisis noopt vele landen tot drastische maatregelen. Danig drastisch dat vele gazetenvellen het verhaal vertellen hoe in het Belgische parlement beknot zal worden op warm water en champagne.
Het warme water begot. Fier was ik dat de beleidsmakers dat goedje reeds kenden. Uitgevonden zullen ze het voorzeker niet gedaan hebben sommige acties hunner bekijkend.
Maar hoe zit dat nu met dat warm water? Hoeveel miljoenen liter van dat goedje wordt daar in het parlement van verbruikt? Even praktisch. Een litertje water zal al eens de weg vinden naar de ondergrondse krochten en gewelven bij het reinigen van de handen voor of na het ontlasten. En vanaf daar zou ik niet meteen weten hoe dat parlementarisch verbruik dermate hoog is dat daar een flinke cent kan op bespaard worden. Of zou men daar ganser dagen cup-a-soup slurpen terwijl ze debatteren over wat te doen met de illegale sukkels in het Noordstation?
Of het zou moeten zijn dat men daar met zijn allen elke dag voor en na het verrichten van den dagelijkse arbeid doucht. Zoiets als op het werk of in de sportschool. “We douchen hier, dat bespaart ons thuis alweer een duit.”
Ik doe dat regelmatig en spoor ook mijn medebewoners aan dit te doen. Vandaar deze gedachte.
En die dagelijkse arbeid zal dan ook nog eens moeten worden uitgevoerd met minder fep: Le champagne!
Merde alors, alweer een motivatie minder om tijdens het debat over de buur zijn kat waar vier man een en een paardekop aanwezig zijn, op te dagen. Ik zeg het, tranen van het lachen plengde ik, a volonté zoals tot gisteren de champagne werd geschonken en gedronken aldaar. Na de lachbui moest ik zowaar mijn gezicht gaan wassen en iets drinken. Met koud water waste ik de handen en lestte ik de dorst.
Diep geroerd en blij ben ik te zien dat het in mijn vaderland danig goed gaat dat dergelijke maatregelen mogelijkerwijs soelaas brengen. In Griekenland, Spanje en Portugal zal het besparen op warm water en champagne niet meer helpen.
Tom
“African dinner” Een openbarende loutering.
Opluchting alom. Het vrank en vrij schrijven kan weer beginnen. Het opsturen van het manuscript, ja er ontbreekt nog een en ander aan, was een verademing. Niet toen ik op de verzendknop duwde. Na het uitvoeren van deze boude actie dronk ik vijf bieren (biertjes zijn voor mietjes) na mekaar, me afvragend: Heb je echt alles neergepend zoals het hoort?
Stomme denkwijze natuurlijk: Hoe het hoort? Op deze aardkloot heeft nog nooit niemand een bevredigend antwoord op die vraag weten te zwatelen. Anders hoefde men in Afrika niet elke avond een “African Dinner” te organiseren, stonden militairen niet op lijken te zeiken en brak niemand zich het hoofd over wel of niet een doek op de kop.
Ondertussen vraagt u zich wellicht af, de oplettende lezer toch, wat een “African DInner” is. Welnu, dat is een avondmaal met vreet noch drank. Het geluidsniveau van de rammelende maag en protesterende darmen zijn de klokkeluiders van het naderende stervensuur. Bij de een al wat luider en dichter dan bij de ander. Doch niet getreurd, het heengaan is nakend. Lang hoeft men er niet op te wachten.
Dit zo nu en dan eens zelf doen werkt louterend. Men kankert iets minder over verlate treinen en niet voldoende hard gebakken repen zwijnen. Doén! Het werkt echt. Mijn nazaten kloegen in den beginne al eens over het aanbod van het door mij gul aangeboden “African dinner”, maar een aantal bezwerende blikken mijner legden hen meteen het zwijgen op. Doodse stilte is de gepaste achtergrondmuziek en hoort bij deze Afrikaanse cullinaire uitspatting.
Dat boek dus. Het is de deur uit. En het kan mij eigenlijk niets meer schelen. Als het er komt zal ik dat met toeters en bellen tot vervelens toe bloggen en twitten, laat daar geen twijfel over bestaan. Ontvolgen zal u mij op Twitter en dit blog vermijden als de pest door te vele malen herhaalde klaroenstoten die mijn eigen verheerlijking zullen schallen.
Maar als het er niet komt zal ik evengoed dit minder heugelijke nieuws melden, zij het een aantal malen minder. Niemand wordt graag afgewezen. Ook ik niet. Het schrijven van een volgend boek zal aanvangen, elke ochtend zal ik weer voor mijn klavier kruipen en denken: Wat ben ik toch een bevoorrechte klootzak! Wat heb ik weer een zin om op dat klavier tekeer te gaan en het te vervloeken, te aanbidden. Er als het ware de liefde met bedrijven. Renate Dorrestein vertelde mij dat pas haar zevende gewrochte roman tot uitgeven kwam. De vorige zes verbrandde ze. Jaren had ze achter haar klavier het genot van het schrijven mogen smaken. Een prijs op zich.
Een imago heeft men op te houden, maar een imago is als een lul. Wil het ding niet naar omhoog heeft men nog steeds viagra ter zijner beschikking om het op onnatuurlijke wijze hoog te houden. Het zich in de gratie slijmen, valse glimlachjes en kirrende niet gemeende lachjes zijn de Viagra van het hedendaagse imago. En dat is iets waar ik niet mee aan wil doen. Vrank en vrij, zoals ik al eerder zei, is mijn hoogste goed. Bij triomf of nederlaag stel ik mijn schrijven niet in vraag. Ik schrijf omdat ik het moet doen. Net zoals magen rammelen als ze niet gevoed worden. Sommige zaken vallen niet tegen te houden.
Tom
Teveel vocht en het rot!
Plots stond ik daar. Achttien jaar en nog geen haar. Nog een geluk dat mijn achtiende levensjaar net het licht zag toen mijn verwekker het voor gezien hield. Anders had ik nog een paar maanden in een opvangcentrum voor minderjarigen mogen toeven. Dat zou pas lachen geweest zijn.
“En nu?” vroeg ik me af. Nadat de notaris alles in wettelijke kruiken en kannen had gegoten. Jaren hadden we geleefd van het legerpensioen dat mijn vader elke maand netjes uitbetaald kreeg. Daar had hij de afgelopen twee jaar onze stulp van afbetaald en maandelijks een cent opzij gezet. Als huiseigenaar en bezitter van een niet onaardige spaarcent kon ik het wel een tijdje uitzingen voor de hoorn des overvloeds zou leeggeraken, maar iets moest ik toch uitvoeren. Het verder uitbreiden van mijn bibliotheek was een optie als tijdverdrijf tot ik een andere uit te voeren iets ontdekte. Ik overwoog het en deed het niet. Een hoofdstuk was afgesloten. Een mens moet evolueren. Anders zaten we nog steeds gensters uit stenen te slaan en ruawe karkassen af te kluiven. Alhoewel men het niet altijd in de hand heeft die evolutie. Maar vooruitgang moet er zijn. Maakt niet uit waarheen en hoe, als ze er maar is. Boeken ontvreemden zou ik niet meer doen.
“Hoe zatter hoe platter!” dacht ik toen een auto mijn raam voorbijstoof. Mijn uitkijkpost op de wereld toonde niets nieuws. Het pleintje lag er nog steeds rustig bij. Vandaag had ik het vrouwtje met haar Husky nog niet gezien. Ik miste haar. Er moeten zekerheden zijn in het leven. En een daarvan was zij. Waar haalde ze Godverdomme het lef vandaan niet te komen opdagen? Men kan op niemand rekenen. Een rustpauze was de boodschap. Ik bleef gedurende een aantal maanden stilletjes van achter mijn raam vervreemden. De inhoud van mijn hersenpan hield een winterslaap. Op de nieuwe boekenkast kwam een laag stof te liggen. Had ik nu en dan niet moeten zeiken van het vele bier drinken, slapen van de slaap die de drank veroorzaakte, en inkopen doen om voldoende van het goedje in de ijskast te hebben was er ook op mij een laag rustgevend stof komen te liggen. Het werd herfst, winter en toen kwam de lente. Het vrouwtje met de Husky was weer komen opdagen. Dus toch nog een enkele zekerheid. Zoals zij elke dag, exact hetzelfde pad volgde tussen de heesters en de drie bomen maakte me blij. Geen veranderingen. De paden die moesten bewandeld worden konden je maar beter bekend zijn. Er was al genoeg ontdekt. Rust en evenwicht moest er heersen. Maar de lente bracht verandering. Het Husky vrouwtje nam een ander pad zo viel mij op. Stom van verbazing kon ik zien hoe zij zich nu op het malse gras waagde. Het lag er droog. Daar zorgde al de ganse week het zachte zonnetje voor. Zo ook was mijn strot dichtknijpende verdriet opgedroogd. De geplengde tranen die mijn hersenen hadden onder geregend waren ook opgedroogd. Een laagje zout bleef achter. “Moet er zout op de frietjes?” Zonder zout geen smaak. Te veel vocht en het rot.
Toen was ik nog een ordinaire dief
In vroegere tijden zou men mij bestempeld hebben als een ordinaire dief, vandaag de dag zou men mij een iillegale downloader noemen. Ik was als het ware een pioneer in het ontvreemden van intellectueel bezit.
“Uw identiteitskaart, alstublieft” Vroeg de bibliotheekbediende mij.
“Ik ben ze vergeten, Meneer.”
“Dan kan ik U geen bibliotheekkaart maken en mag je geen boeken ontlenen.”
“En als ik ze morgen breng?”
De goede man bekeek de zestienjarige slungel, die ik toen was, en twijfelde.
“Kan ik daarop rekenen jongeman?” vroeg hij gespeeld streng.
Hij leek geneigd in mijn val te trappen.
“Zeker, zeker.” antwoordde ik met een onschuldig snoetje. Men moest mij geen snuiten leren trekken.
“Goed, zei hij. Morgen wil ik je hier met je pas.”
Hij vroeg mij onbenullige zaken zoals mijn naam, adres en telefoonnummer en vulde deze in op wat mijn lidkaart van deze bibliotheek zou worden. Toen hij klaar was hield hij de kaart op ooghoogte en bekeek ze. Alsof hij een schilderijtje had gemaakt en zijn werkje wel te pruimen vond.
“Voilá, hier is je kaart, verlies ze niet.”
Goedgemutst stapte ik de leeszaal binnen. De honderden meters rekken, de duizenden boeken, de miljoenen letters deden mij duizelen van opwinding. Vijf van die exemplaren zouden de mijne worden. Ontlenen deed ik niet, ik ontvreemdde. Ik kuierde langs de rijen, hier en daar stoppend, een boek nemend en erin bladerend. Vandaag had ik een halfuurtje voor mij. Vader lag comfortabel in de zetel thuis, blik bier met rietje binnen handbereik en de radio op zijn favoriete station. Hij kon het nog wel eventjes uitzingen zonder mijn hulp.
Uiteindelijk koos ik voor de reis om de wereld in tachtig dagen, Een omnibus van drie grote scheepvaarders, Magelhaen, Columbus en Vasco Da Gama. Kruistocht in spijkerbroek, Het Guinness Book of records, versie jaar 2000 en De geruchten van Hugo Claus. Die laatste was om indruk te maken op Kathleen, het mooiste meisje van de klas dat mij nooit een blik waardig zou keuren.
Toen ik bij de balie aankwam zag ik dat de bediende plaats had gemaakt voor een pinnige dame van middelbare leeftijd met een aan een fijne ketting hangende bril, die ze steeds op en afzette. Ik had geluk gehad. Zij zou mij nooit een kaart verstrekt hebben zonder pas.
Zonder opkijken nam ze de boeken aan en schoof ze heen en weer over het kleine, ingebouwde venstertje van de toonbank tot de streepjescode een piep verwekte. Ze gaf mij de geregistreerde boeken, met het hoofd half naar beneden en de ogen net boven de glazen uitkijkend kreeg ik nog de boodschap mee dat “De ontleende boeken uiterlijk over twee weken terug in het bezit van de bibliotheek moesten zijn, anders hangt er een boete aan vast.“ Met geld valt alles te regelen. Ik kon beschikken.
“Bedankt en merci, die zie je nooit meer terug” dacht ik tevreden. De enige reden voor mijn rooftochten was dat ik wilde leren hoe ik vertrouwen kon kweken in anderen. De bibliothecarissen die mij voldoende vertrouwden bestudeerde ik. Ik was jaloers op hen. Ikzelf vertrouwde niemand. Een gemis in mijn nog prille bestaan dat ik wilde ombuigen.
Tom
Het werd neuken
Eenmaal buiten haalde ik diep adem. “Pa, ik ga er een drinken op jouw gezondheid,” schreeuwde ik naar de ramen van het ziekenhuis waar hij nog net niet dood lag te gaan “dat kan je wel gebruiken, een scheut gezondheid” Een paar voorbijgangers keken mij verschrikt aan. Het kon mij geen bal schelen. “Klootzakken” Schreeuwde ik naar niemand in het bijzonder. Naar “ze” ging mijn schreeuw uit vermoed ik. “Ze” zijn het ideale doelwit als een mens zijn hart wil luchten. “Ze” dragen de schuld van de plagen van Egypte. Wie “ze” zijn weet niemand. Ze waren rond de aarde met als enig doel beschimpt, gebruikt en misbruikt te worden. Handig zijn “ze” dus wel in de meest uiteenlopende situaties. Onderschat nooit de weldadigheid van verbale baldadigheid op “ze”.
Ik zou voor de eerste keer dronken worden en had daar zin in. Ik was gemotiveerder dan Ronaldo die klaarstond om de Champions league finale aan te vatten. Deze zomeravond was mijn doel de absolute zinloosheid, het leven zelve. Mijn schot zou raak zijn, daar bestond geen twijfel over. In welke hoek van het doel zou later wel blijken. Op dit moment kon de bal alle richtingen op. Kwantumfysica bij wijze van troost.
Ik stapte een bruincafé binnen dat gevuld was met studenten, oude miskende of mislukte kunstenaars, jonge toekomstige mislukte kunstenaars. Enfin, u kent het sympathiek ratatouille wel dat in dergelijke knijpen de wereldproblemen onder de loep neemt en tot de beslissing komt dat de oplossing wellicht op de bodem van een volgend te legen glas te vinden is. Ikzelf was gelukkig probleemloos. Ik ging zuipen om het zuipen zelf.
Toegegeven, ik was woedend omdat mijn oude daar doodziek lag, maar dat kan men geen probleem noemen. Hoogstens een persoonlijk verdrietje zoals dertien in een dozijn dat ik de rest van mijn leven wellicht zou meedragen maar waarschijnlijk geen al te grote littekens zou aan overhouden.
Ik nestel mij op een vrije barkruk tussen een dikke schilder en drie studentes. Dat het een schilder is kan ik ruiken. De terpentijn lucht vermengd met olieverf is onmiskenbaar. Dat het drie studentes zijn leid ik af aan hun gekwebbel over tentamens.
Tien minuten later roep ik naar de barmeid: “Nog een Hoegaarden, alstublieft” Mijn derde.
Links van mij zaten drie meisjes van rond de twintig lustig verder te tateren. Het bier deed waarvoor het gemaakt was. Mij in een roes brengen. De drie meiden deden ook waarvoor ze gemaakt waren. Mij een erectie bezorgen. Ik merkte dat mijn lid begon te zwellen. Rustig, zonder haast. Ik inhaleerde van mijn sigaret en genoot van het zwellen. De alcohol had blijkbaar in mijn hersenen een of ander genotscentrum aan de arbeid gezet en een aantal centiliter bloed richting mijn lul gesommeerd. Ik nam een fikse teug van de Hoegaarden wat geen goed idee was. Nu moest ik pissen. Om op te staan in een knijp gevuld met jonge studentes en kunstige types met een intussen volgroeide erectie in een spannende jeans, daar was ik nog niet bezopen genoeg voor.
“Wat zit jij gelukzalig voor je uit te staren” klonk een een meisjesstem links van mij. Ze had het tegen mij. Haar vriendinnen waren naar het toilet. Die hadden geen last van volle gulpen.
“Zomaar” antwoordde ik.
“Ik ben Liselotte.”
Als mensen hun naam vertellen wordt er van je verwacht dat je dat ook doet. Wie ben ik om de verwachting van een medemens te torpederen?
“Tom, aangenaam”
“Hoe zit dat nu met die gelukzalige glimlach van je?” vroeg Liselotte opnieuw. “Laat mij meegenieten.
Ik stond op een kruispunt. Liet ik haar meegenieten van mijn erectie? Of antwoordde ik nogmaals: “Zomaar.”?
Zou ik de kans grijpen dat ik vandaag ontmaagd werd, ik zou neuken, hoe klein de mogelijk ook was, tenslotte kende ik die hele Liselotte van haar noch pluimen, of wegwandelen met een smoes? Het wegwandelen met smoezen had ik onder de knie, getuigen de vele boeken op pa’s kamer.
“Drie glazen Hoegaarden zorgden voor een kalme opzwellende penis. Vandaar de glimlach, Liselotte.”
Het werd neuken. Ik was geen maagd meer.
“Het spijt mij, ik heb hier geen ervaring mee.”
De Catalaanse staat zit zonder geld! Ja, die staat met als hoofdstad Barcelona waar het toerisme een financiële reddingsboei is. Alwaar het drinken op straat hoogtij viert en men 750 Euro kan dokken per uitgespuugde rochel, waar Gaudi kathedralen ontwierp die nooit lijken af te raken en waar de zon altijd schijnt.
Zonder enige voorafgaande waarschuwing kregen de ambtenaren amper 40 procent op hun rekening gestort van wat ze normaliter hadden moeten beuren. Een bom sloeg in. Zomaar eventjes 230.000 ambtenaren kregen dit verrassend afgeroomde kerstcadeau op hun bankrekening.
Zij stonden paf en gingen meteen verhaal halen door te protesteren voor het Catalaanse parlement. Mas Colell, conseller (minister) van economie kon niet anders dan een persconferentie beleggen. Hij had wel een en ander uit te leggen want niemand snapte een jota van het uitbetaalde bedrag.
Wat dacht die sufferd toen hij deze stunt bedacht? Als een kind dat een streek uithaalt en hoopt dat niemand het zal merken? Dacht hij: Die 230.000 ambtenaren zullen wellicht tevreden zijn met iets in plaats van niets? Hoe stom kan je zijn? Zo stom dat binnen een aantal uur protesterende ambtenaren voor het Catalaans parlement stonden van hun kloten te maken. En het mooiste van het verhaal is dat hij de Catalaanse politie, Los Mossos D’Esquadra, ook ambtenaren, net hetzelfde had geflikt. Zo stom waren ze in Griekenland zelfs niet. Die betaalden de politie en leger netjes door.
De in allerijl belegde persconferentie bracht licht in het donker over wat er nu juist was uitbetaald. Iedereen had zijn normale loon gebeurd maar men had wel reeds de sociale lasten van de nog uit te betalen eindejaarspremie ingehouden. Een eindejaarspremie waarvan al gezegd was dat die maar voor 80 procent zou uitbetaald worden en de rest “zo snel mogelijk”.
Dus kort samengevat: 100 procent sociale lasten betaald op een nog 80 procent te ontvangen eindejaarspremie. De reden zou, volgens Colell, zijn dat de Spaanse staat in gebreke bleef bij het uitbetalen van 759 miljoen Euro aan Catalonië. Ja en? Ik hoorde geen enkele stem opgaan tijdens dat protest die zei: “Oh, daarom. Maar dan hebben wij er alle begrip voor.”
Binnen de Catalaanse regering was het ongenoegen groot omdat er verschillende hoge piefen niet eens op de hoogte waren van deze eenzijdige beslissing door Colell.
Een dag later kwam onze vriend Colell met de verklaring dat de resterende 20 procent te ontvangen eindejaarspremie niet kon gegarandeerd worden gedurende 2012. Hij vertelde er meteen bij dat hij de volle verantwoordelijk droeg voor het niet op voorhand inlichten van de gedupeerden. “Sommige leden binnen de regering wilden dat wel. Maar ja, het is niet gedaan” Had U verdomme iets anders te doen? Of stond het eten koud te worden? Maar de klap op de vuurpijl was de verklaring: “Het spijt mij, ik heb hier geen ervaring mee.”
Ik heb voor minder al eens op iemand zijn bek getimmerd. Maar goed, het is Kerstmis, dus doe ze nog maar eens vol. Van Tetra-brik wijn wordt je tenslotte ook zat, nietwaar.
Vandaag is het woensdag, voor diegenen die het mocht ontgaan zijn, en is het D-day om te zien wat er nu wel of niet gestort is. Verschillende kranten maken gewag van het feit dat de Catalaanse regering onderhandeld met verschillende financiële instellingen om alsnog de volle 100 procent eindejaarspremie te kunnen uitbetalen. Het is nu 13:20 en nog geen enkele ambtenaar kreeg iets te zien. Ik houd u op de hoogte.
Tom
De schoonheid van bekrompenheid en arrogantie
De schoonheid van bekrompenheid en arrogantie doen mij denken aan het meesterwerk van Picasso, Guernica: Grijs, een futuristisch woest en wreed tafereel van het verleden zonder franje, zonder nuance. Het menselijk vermogen tot ongevoel op een doek geklad. En neen, mensen het is nu 8:38 in de ochtend en ik ben nog niet bezopen, en mocht ik het zijn, is dat niet meteen uw probleem, maar goed.
Getwijfeld heb ik om dit stuk te schrijven omdat ik een tweede maal iemand in de kijker ga zetten waarvan ik vermoed, wat schrijf ik, waarvan ik weet dat diegene daar plezier aan beleeft en dat niet verdient. Ongetwijfeld heeft diegene waar ik het over heb met een glinsterende blik de statistiekjes van haar blog zien stijgen toen ze de eerste maal het geluk mocht proeven alhier vernoemd te worden.
Het arrogante “wees dankbaar of u krijgt niets!” verhaal is waarmee Vera mij een paar borstbenen brak door er keihard tegen te stuiten.
“Hoe haalt Peter het in zijn duffe kop om het woord bedelen te gebruiken bij zijn vraag naar een donatie?” Was mijn eerste reactie. Bedelen? Dat is toch smeken om een aalmoes terwijl men niets uitvoert? Misschien omdat men niets uit te voeren heeft of omdat men er geen zin in heeft. Dat laat ik in het midden, ik ken niet iedere bedelaar zijn verleden. Dat van “bedelaar” Peter dus ook niet. Hier wordt me dunkt heel wat uitgevoerd.
Dus Vera, alweer mag u rekenen op een statistiekenfestijn overgoten met zoete lavende wijn. Ik gun het u niet om verschillende redenen. Als niet-gunnende mensen moeten we elkaar ongetwijfeld begrijpen.
Mijn best deed ik om een argument uwer te vinden dat steek houd. Ik vond er geen enkel. Integendeel, het blogje dat u schreef is een van arrogantie druipend stukje tekst.
“Mijn dagelijks vermaak” zegt u? Op dit blog is mij nog niet meteen vermaak voorgeschoteld. Bekeek u de naam al eens goed? Aldaar vind ik een dagelijkse portie aan de kaak te stellen onrechtvaardigheden waarvan de “betere” pers zijn fikken afhoudt.
“Jongens de adverteerders zien niet graag hun naam prijken naast een uit het land te sodemieteren tiener.” kreten de aandeelhoudertjes bij een ingestuurd schrijfsel dat net iets te onthullend zou kunnen zijn. Onthullend zoals in naakt, hebt u hem?
Nu ik het toch over naakt heb, plots zie ik een naakt mens verschijnen alhier. Tiens! Toch vermaak? Neen! Een statement met ballen. ondanks die niet op de foto te zien zijn vermoed ik dat het mens grotere ballen heeft dan ik.
Wacht nog even alvorens u het door mij geschrevene gaat afbreken. Ik begin op dreef te komen.
De inhoud van FrontaalNaakt is voor mij persoonlijk voldoende om er regelmatig een bezoek aan te willen brengen.
Dat toontje, beste Vera. Dat toontje! Het is voldoende voor Hare Vera om er een bezoek aan te willen brengen! Nu snap ik uw argumentloos betoog: Bedelaars, als ik voorbij schrijdt en ik zie geen dankbaarheid in uw ogen oplichten kan u fluiten naar een aalmoes! Ondankbaar gajes!
Laat mij de zin even anders formuleren:
Als de bedelende FrontaalNaakt zijn dankbare natte oogjes opricht is dat voor mij voldoende om een centje in zijn bekertje te gooien.
En dan de prachtige samenzweringstheorie: Daaruit spreekt een bepaalde arrogantie die mijn vertrouwen in de vrije toegang van je site als platform voor het objectief aan de kaak stellen van misstanden ernstig beschadigt.
Even praktisch. Hoe lossen we uw probleem met niet vrije toegang op? De enige manier die rest om vrije toegang te verschaffen tot dit forum is aan eenieder een sleutel te geven. Lees: Paswoord en gebruikersnaam publiek maken opdat hij of zij zijn of haar gekwatel hier kan publiceren. Beste Vera, u kan reageren en vrijelijk schrijven wat u meent te moeten schrijven in het reactievak en dat lijkt u niet voldoende. Alweer een argument uwer dat er geen is.
Had u geschreven: Het woord bedelen is misplaatst want hier wordt iets aangeboden met de vraag naar een vrijwillige vergoeding dus is het geen bedelen, dan had ik deze polemiek nooit uit mijn pen geperst.
Maar laat mij u ervan verdenken dat u na het bekijken van een straatartiest zijn halsbrekende toeren op wankele stelten in een natgeregende straat snel wegloopt om geen munt in zijn pet te hoeven gooien. Of wacht u tot hij langskomt om hem te monsteren en dan te besluiten of hij voldoende dankbaar glimlacht?
Geef al dan niet een aalmoes naar de door u persoonlijk voldoende zijnde inhoud, maar ga geen spijkers op laag water zoeken.
Tom







