“Hoe lang werk je hier nu al Sylvain?”
Sylvain keek op van het boek dat hij probeerde te lezen tijdens de zeldzame momenten dat de telefoon even het stilzwijgen bewaarde. De stonden waarop allen Internetten, telfoneren en televisiekijken konden.
“Bijna twee jaar,” antwoordde hij verstrooid.
“We gaan uitbreiden en hadden gedacht aan jou om

Een geluid, een verhaal.

In de verte ergens in de bergen knetterde een motorfiets. Ik kon horen dat het een tweecilinder zware machine was. Amerikaanse makelij, vandaar knetteren.
De dageraad rook nog nieuw en een schuchtere vroege voegel begon aan zijn dagelijkse taak, kwetteren.
We waren nu met zijn drieën, de motorvogel, de vroege vogel en ik.
Languit gestrekt op de sofa rokend met alle ramen open luisterde ik verder.
De motorfiets trok op. Dat deed het ding natuurlijk zelf niet, wel de bestuurder ervan. Niets kon ik zien van hem, wist ik van hem, toch vertelde dit vroege eenzame geluid een gans verhaal.

Iemand had gisteren zijn wekker zorgvuldig gezet. Had wellicht op zijn weerapp gezien dat het vandaag niet regenen zou en de temperatuur best aangenaam zou zijn. Een beslissing genomen. Dat is het in deze contreien overwegend.

Ik wist dat iemand een polsbeweging maakte, wist op de seconde af wanneer hij zijn linkervoet gebruikte en welke beweging hij uitvoerde bij het schakelen. Met een voet waar hij met de hand die nu gas gaf een schoen had aangetrokken even daarvoor. Niet dat die dingen wereldschokkend zijn, wat me wel verbaasde is hoeveel dingen in een simpel geluid schuilen konden. We leven tenslotte in een informatietijdperk.

Los van informatie maakte het geluid me rustig. Want dat doet fantaseren met me namelijk, me rustig maken. Terwijl de werkelijkheid dagelijks nog steeds mijn fantasie overtreft, en dat maakt me minder rustig.

Maar niet afdwalen van dit verhalen wil ik. De motorrijder dus, of zou het een rijdster zijn? Ik zoog aan mijn rookwaar en dacht daar even over na. Rijder! besloot ik. Tenslotte was dit mijn fantasie en verhaal door dat geluid opgewekt.
De kwinkelerende vogel piepte nu en dan door het mechanische geronk heen. Daarbij moest ik meteen denken in welke boom hier in de buurt die uit een ei was gekropen. Terwijl in één vlotte gedachte ik door dacht en me afvroeg hoe oud die boom wel was waar dat ei in gelegd was en waar de motorrijder nu wellicht langsvlamde. We verwerden een trio in deze nog slapende wereld.
De vogel, motormuis en ik.

Zonder van elkander iets te weten, elkaar te kennen en dat ook nooit te zullen doen waren we op dit moment toch verbonden door iets. Het wat maakte me niet uit wat dat iets was. Soms voelen dingen perfect. Het moment. Heel broos want het vervliegt in seconden.

Ik hoorde hoe de de motor zich verwijderde door de bergen. Het geluid afzwakte. Een aantal keren schakelen, zwakker en zwakker.

De vogel fladderde plots weg. Het pluimvees gezang hield op.

Onze vereniging was verbroken. Elk ging nu zijn weegs. Ik ging al bij al nergens heen. Bleef in korte afgeknipte jeansbroek onbeweeglijk op de sofa liggen en keek het blauwe ochtendzwerk in. Snipverkouden en hoestend.
Boven mijn hoofd de sterren fantaserend. Alhoewel onzichtbaar in het licht zijn ze er toch. Dus geen fantasie.

Tom

Het Walhalla van het hol gekwaak(30)

Vervolg op “Het Walhalla van het hol gekwaak (29)”

Toch verloor Sylvain graag de realiteit, of wat daarvoor moest doorgaan, uit het oog. Overal zag Sylvain wel verhalen die voor hem een logica bezaten en best zouden kunnen. Zolang het tegendeel niet bewezen is kan alles.

“Als je de vloer hier openbreekt, dan zal je zien dat hier kabouters lopen” zei Sylvain luidop.
De kerel die al een paar weken naast hem zat en waar Sylvain goed kon mee opschieten bekeek hem met taxerende glimlach. Wachtend op wat volgen zou. Ze hadden samen iets met woorden. Hij rapte. Sylvain had geen flauw benul van rappen, Sylvain zijn liefde school in boeken. Het deed Sylvain denken aan een wedstrijdzwemmer en een synchroonzwemmer, die ondanks het beoefenen van totaal verschillende disciplines, een gemeenschappelijke liefde hadden, water. Bij Sylvain en zijn buur was die liefde woorden gebleken.

“Kabouters dus?” zei Elmo met opgetrokken wenkbrauw en brede glimlach.
“Inderdaad. Zie je al deze rijen computers, afgescheiden van elkaar door wanden, bijna hokjes te noemen? Wel, onder onze voeten loopt een gangenstelsel. Bij het versturen van een interne mail hier op de werkvloer, noteert elkeen zijn kabouter alles en rent dan door het gangenstelsel naar het hokje van de bestemmeling.”
Geamuseerd en met een spontane hikkende lach luisterde Elmo toe. Hij wist al uit ervaring dat het hier niet zou bij blijven. Dat Sylvain zich verliezen zou in verder fantaseren, details strooien. Het ene al absurder dan het andere maar steevast met een logica.
“En zoals het ook in dit bovengronds bestaan reilt en zeilt, zeilt het ook onder onze voeten. De ene kabouter is hip, de andere stil, nog een andere een regelrecht klootzakje!” zei Sylvain plots heel serieus.
“Bij het door die gangen rennen hopen ze op een bevriende kabouter voorbij te rennen waarbij ze dan met hun kleine stevige handjes een high five laten weerklinken. Veelal rennen ze elkander voorbij wegkijkend. Want jongens wat kunnen die onderdeurtjes ruzie maken”.
Elmo keek lachend met een opgetrokken oog. Onderbrak Sylvain niet. Hij was iemand die praten kon maar ook de gave van luisteren bezat.
Sylvain zelf was zo in het vuur van zijn kabouterverhaal geraakt dat hij luider begon te praten.
“En dan komt zo’n kabouter aan bij de bestemmeling en ramt in een buis de e-mail naar boven zodat hij in de inbox verschijnt. You’ve got mail!.” ging Sylvain verder. “Sluit je ogen Elmo. Plant je beide voeten op de grond en voel ze lopen. Doe het!”
Elmo lachte, deed wat Sylvain vroeg.
“Wat heb jij een lelijke luie kutkabouter!” zei Elmo na een paar seconden.
Ze schoten beiden in een lach.
“Kabouters bestaan niet,” kwam plots een stem van achter hen.
“Zolang het tegendeel niet bewezen is kan alles” kwam het antwoord uit twee monden tegelijkertijd.
Elmo en Sylvain keken elkaar aan.
“High five!”

De nijdige pieptoon van een bellende klant weerklonk.
“Scharlaken klantendienst, u spreekt met Sylvain. Hoe kan ik u helpen?”

Krijgt een vervolg.

Het Walhalla van het hol gekwaak(29)

Vervolg op ‘Het Walhalla van het hol gekwaak(28)’

Wat deed je toch, je leven en jezelf zo in het slop manoeuvreren, dacht Sylvain terwijl hij de wegtikkende seconden op het paneel bekeek, die de aankomst van de volgende metro aankondigden.

Ondanks alle, volgens Sylvain veelal loze, kreten in magazines en bladen dat de hemel de limiet was, je zelf het heft in handen had en je alles kon als je het maar wilde, was het het voor Sylvain duidelijk dat bepaalde beslissingen, op bepaalde momenten, op bepaalde plekken de juiste waren, maar tijd verstreek. Een mens veranderde. Situaties veranderden. Net als het weer. Onvoorspelbaar op lange termijn, alhoewel sommigen het tegendeel beweren. De beslissing een paraplu te nemen bij regenweer is een juiste. Als je niet nat wil worden dan. Een wit t-shirt bij zon. Ook dan kan dezelfde paraplu gebruikt worden, alleen wordt hij dan een parasol. Zonder dat hij er iets voor hoeft te doen verandert de situatie zijn hoedanigheid.

Hij kon niet anders dan toegeven dat hij veranderd was. Ten goede of ten slechte daar was hij niet uit. Was paraplu beter zijn dan parasol? De graadmeter van goed en slecht wordt bepaald door anderen.
Zolang anderen hun noden mijn eerste zorg zijn ben ik goed, dacht Sylvain verder. Misschien was hij net daarom stilaan overal afstand van beginnen nemen. Hij kon hun noden almaar minder ontcijferen.

Of de biefstuk nu goed doorbakken was, er nog straaltjes bloed uit sijpelden bij het aansnijden, of ronduit rauw was, het kon hem niet boeien. Hij begreep de ontstentenis om vele zaken niet meer. En om noden te kunnen lenigen van anderen moet je ze begrijpen. Wat hij almaar minder deed, begrijpen.

En door de jaren heen had hij zichzelf ergens op een parking naast de autosnelweg van zijn leven geparkeerd. Hij nam zijn oortjes om de stilte van het gevulde perron niet te hoeven aanhoren. De gitaarsnaren beroerd en soms mishandeld door de vingers van Jack White razend door zijn oren konden hem bekoren.
Hij had zin in een sigaret. Verstokte roker wiens longen almaar meer om de zoete verdovende smaak van benzenen en teren verlangden. Dat lijf van me heeft ook verlangens. Dat lijf van mishandelde hij al bij al nogal. Los van het roken zoop hij elke dag een paar liter bier. Om de verlangens ervan tot zwijgen te brengen, doe ik dat? Zijn deze gewoontes van me plaatsvervangers? Een laffe vluchten voor een realiteit? Dat de realiteit niet bestond stond al heel lang voor Sylvain boven water. Er bestonden zo ongeveer zeven miljard realiteiten. Het kind in Vladivostok dat elke ochtend bij min 46 graden tandenklapperend vanonder de dekens kruipt leeft een andere realiteit dan de knaap die in Verona tijdens de zomer niet slapen van de lome hitte die als een deken over zijn lijfje gedrapeerd ligt. Een rijdende vrouw op een mannelichaam haar beleefwereld en realiteit zijn wellicht ook niet dezelfde als die van het haar penetrerende mannetjesdier dat onder haar liggend naar borsten opkijkt en grijpt. Dus hoe dichtbij of ver verwijderd, de realiteit is een realiteit, van diegene die hem beleeft.

Nog steeds probeerde Sylvain zich soms te verplaatsen in wat zijn oudeheer’s realiteit moet geweest zijn. Bewegingloos lag hij dan op de sofa. Zijn armen, benen romp zwaarder en zwaarder voelend. Tot hij verlamming voelde. Sommeerde zijn hersenen een vinger te bewegen, een been maar bewoog die niet. Bleef uren roerloos staren. Dichter raakte hij niet in zijn vader’s realiteit.

Volgende metro 1m 28s

De enige kracht die daar toe in staat is, is liefde.

De glimlach die haar gezicht tooide was een zachte. Deze vrouw was verliefd. Daar durft Sylvain een maandloon om verwedden. En dat het niet op haar man is, daar durft hij een tweede maandloon om te verwedden.
Ze is alreeds een vrouw. De trouwring die ze draagt is vele jaren geleden aan haar vinger geschoven en is het bewijs van gebaarde kinderen en een af te betalen huis.

Sylvain blijft haar observeren. En fantaseren. Alhoewel het voor hem geen fantasie is. Rotsvast overtuigd is hij van zijn conclusies.

Haar lippen krullen nu echt tot een ingehouden lach. Even schokt haar bovenlijf. Diegene die woorden doet verschijnen op haar scherm heeft blijkbaar iets gezegd waar ze hard om lachen moet. Ze hield de lachbui onder controle. Op straat hoort in lachen uitbarsten niet. Controle houden over gevoelens is de enige zin die in de bijbel van eenieder staat. Geschreven in rode dike vette drukletters.

Ze verplaatst het gewicht van haar gehakte voet op haar andere, ziet Sylvain. Gebiologeerd blijft hij haar bekijken. Ze straalt ongenaakbaarheid uit in alle kwetsbaarheid.

Als plots haar gezicht bevriest, weet Sylvain het zeker. Een jaarloon nu: Ze is verliefd. Haar scherm geeft nu de woorden weer van haar man die vraagt de kinderen niet te vergeten die nog ergens heen gebracht moeten. Vandaar haar schichtige blik. Alsof ze betrapt werd.

Sylvain hoopt dat de bus nog lang wegblijft. Volledig gaat hij op in haar. Hoopt dat haar geliefde haar lach terug tevoorschijn schrijft. Hoe de uitstraling van een mens van de ene seconde op de andere zo een gedaanteverwisseling kan ondergaan vindt hij magisch.

De enige kracht die daar toe in staat is, is liefde.

`Ga ervoor` zegt Sylvain plots luidop.

Zijn woorden gaan verloren in het ronkende geluid van de dieselmotor van de aankomende bus.

Het Walhalla van het hol gekwaak(28)

Vervolg ‘Het Walhalla van het hol gekwaak(27)’

En zoveel jaren later, hier op dit perron, de wegtikkende seconden ziend, kwam alles weer naar boven. Seconden, uren, dagen, maanden, Jaren en decennia waren verstreken. Waarin hij kinderen had gemaakt, huizen gekocht, auto’s in de prak gereden, bezopen geklist was motorrijdend, verliefd was geworden, harten had gebroken. O die liefde. Wat was me dat een avontuur van euforische hoogtes en onmetelijke dieptes in een vergeetput gegooid toevend.

Hij ging zitten op de metalen bank die aan de muur geschroefd was, gestut door metalen in dezelfde muur gemetselde staven. Strekte zijn benen. Hij zat ondergronds in zijn vergeetput. Daarboven scheen de zon, maar die zag hij in al zijn donkere wrokkige boosheid niet meer. Afscheid had hij genomen van alles wat maar een glimlach zou kunnen opwekken. Het afgelopen jaren alleen door straten zwervend, in marginale barretjes ergens in een hoek stil bier zuipen om onaanraakbare liefde had zijn sporen nagelaten. Hij verzuurde. Ware hij een vat, zou het eender wat er in gegooid werd sissend verdampen door het zuur dat in hem huisde.

De slapeloosheid die hem al jaren vergezelde door de eindeloze nachten brachten hem schuldgevoelens om dat zuur. In de stille donkerte floten zijn longen het lied van de roker. Om dat geluid te smoren stak hij veelal sigaretten op. Op onverklaarbare wijze bleek dit een remedie tegen het piepen. De remedie tegen het genadeloze zuur dat in hem opwelde was zijn boetegang elke dag richting werkplek. Al even onverklaarbaar. Daar hielp hij aimabel en geduldig elke dag mensen aan de telefoon. Alles ging via stem. Daar legde hij gevoel en warmte in. Soms wat streng sturend, dan vriendelijk bemoedigend. Hij wist dat het een van de pot gerukt spel was dat hij speelde met zichzelf. Het was een vlucht, voor zichzelf. Een veiligheidsgordel met dubbele airbag.

De dagen regen zich aan elkaar, elke dag een identieke kraal aan wat op een eindeloos touw leek. Iedere kraal identiek.

‘Hoelang nog,’ fluisterde Sylvain in het gewelf. ‘Hoelang nog tot ik uit deze vergeetput raak?’

Volgende metro 1m 32s

Vervolg ‘Het Walhalla van het hol gekwaak(29)’

Het Walhalla van het hol gekwaak(27)

Vervolg op ‘Het Walhalla van het hol gekwaak(26)’

De tweede nul bood zich aan tijdens die eerste week verbanning van vele. En tweede keren zijn minder verrassend. Ervaring is een vijl die scherpe kanten vijlt van dingen die opnieuw meegemaakt worden. Nog vele eerste keren had Sylvain nog voor de boeg, nog hopen vijlwerk voor de deur.

Deze keer was het wiskunde die zorgde voor een onrustige terugrit op de bus. Nu wist hij wat hem te wachten stond. Een stilte zodadelijk die als de loden mantel van de tandarts om hem heen zou gedrapeerd worden. De blik van zijn vader die hem zou fileren, zijn moeder stilzwijgend beamend dat straf hoorde.
Dat bij zijn thuiskomst zijn vader er nu altijd was, vond Sylvain raar. Vroeger had hij het huis voor zichzelf een uur na van school komen, sinds een maand was zijn vader er al. Of nog. Dat was Sylvain een raadsel. Want ‘s ochtends was pa er nu ook altijd. Ging hij niet meer werken? De gesprekken over vroege overvolle treinen en geen parkeerplek aan het station waren ook achterwege gebleven. Sylvain leefde met mensen waar hij bitter weinig van wist. Zijn verwekkers.

‘Een maand naar je kamer na het eten’ viel het gortdroge verdict.
Alleen de hamerslag van de rechter ontbreekt, dacht Sylvain. op een vreemde manier was hij opgelucht. Waar dat vandaan kwam kon hij zelf niet rijmen.
Het onvermijdelijke? dacht Sylvain. En waarom een maand nu? Vorige week bleek een nul op de handelsbeurs van straffen nog op een week te staan. Omdat die week niet voldoende bleek door het nu alweer hebben van een nul? Terwijl hij echt wel die toetsen vorige week gemaakt had. Alleen was de lerares wiskunde blijkbaar wat trager met het opmaken van haar cijfers en had hij pas het resultaat deze week gekregen. Sylvain begreep wel dat hij gestraft moest. Een ouder moest toch zorgen dat zijn kind goed studeerde en flink was. Geen schoffie zoals er een paar van in zijn klas zaten. Die hadden wellicht ouders die hen niet straften en die dus nooit ver zouden raken in het leven. Ver raken in het leven vond Sylvain een rare uitdrukking. Naar waar ver raken?

Hij keek in zijn bord waar een kotelet dreef in haar eigen nat. De dampende aardappelen die aan de randen bruinig werden, het nat van de kotelet opzogen. Hij had zin in een lepel ajuinsaus voor op de sperziebonen. Keek naar het pannetje maar dorstte niet de lepel aan te raken. Een gevoel van dat niet verdienen overviel hem. Het onvermijdelijke zaad van schuldgevoel was nu ook bij hem ingeplant.

Volgende metro 1m 38 s

Vervolg ‘Het Walhalla van het hol gekwaak(28)’

Het verhaal van bijl en schaar

En dan kijgt de minister een lederen tas, de burgemeester een sjerp en de volksvertegenwoordiger een zetel. Iedereen tevree. En allen een gloednieuwe schaar. Want linten knippen met van oor tot oor vervroren lach op het gelaat denkend aan het gelag van eten en drinken achteraf.

Een bijl behoort niet tot het gereedschap van deze heren. Daar kan je namelijk knopen mee doorhakken, en daar doen zij niet aan.

Of er nu 34 doden vallen, 340, of 3400, het laat hen Siberisch koud. Net zoals Clinton staalhard ontkende dat Lewinsky zijn leuter in haar mond propte tot beider vertier, staan deze heren nu hun medeleven te betuigen en ik geloof er niets van. Dat Clinton en Lewinsky rollebolden op een gestolen moment kan alleen maar op mijn begrip rekenen. Zelfs zijn gelieg was een zielig apenootje vergeleken met het schofferend gedrag en reactievermogen van de verkozenen alhier.

Hun daden na de aanslagen zijn het pure en onversneden bewijs van hun Siberisch koude harten.

Zij werden verkozen om het maken van beloftes, veelal loos gekwatel ontsproten aan het brein van een of ander meer dan goed vergoede tekstschrijver. Hun haren gekamd door een kapper zonder fantasie, hun pakken en grappen door een imagobouwer gekozen.

Een team hebben ze nodig om zich heen om zichzelf nog verkocht te krijgen aan het volk.

Eenmaal de medelevende woorden op radio en televisie zijn geacteerd gaan de deuren dicht en laten de heren het masker van medeleven vallen. Het gelaat van de hach te redden is een wrede. Een gelaat waar plots de haat uitspreekt eenmaal de bevroren lach mag losgelaten omdat niemand kijkt of ziet. Want de slachtoffers zijn zijzelf in hun verkapte redenerende hoofden. Zij die nu ook nog eens moeten lezen dat er in Panama gevoelige informatie plots het daglicht zag. Zij zijn ten einde raad over zoveel onrecht. En nog virtuozer dan Hamilton, Alonso en Rosberg samen, wringen ze zich door bochten aan een duizelingwekkende snelheid om de verantwoordelijkheid op een ander af te schuiven.

Een ander die eveneens meedraait op de mallemolen van dit absurd spel.

Tom

Van wals tot headbangen

Nooit neuken ze elkaar, ondanks de honderden malen dat hun genitaliën versmolten waren. En nog zouden versmelten. Ze bezitten elkaar. Hebben elkaar lief.

Van wals tot headbangen. Bezitten. Het ene moment zacht innig alsof ze vlindervleugels strelen, liefde, een volgend moment losgeslagen spierkracht in omknelling en omhelzing, bezit. En zoals dat bij dansen gaat behoeven geen woorden, alleen akkoorden en bewegen. Het ritme van de muziek hunner lijven is onvoorspelbaar. En zonder woorden begrijpen die lijven elke ritmeverandering.

Hun grommen en kreunen zijn de muzieknoten. Geen valse noot weerklinkt, geen streel of stoot misplaatst. Denken komt er niet aan te pas. Voelen.

En ondanks het woeste fysieke geweld is alles sereen. Geen onderdanigheid komt er aan te pas. Geen van beiden heeft overwicht in dit spel. Geen bevel of vraag spreekt uit hun blikken.

Ze hebben maar een smeekbede, bezitten en bezeten worden.

Zijn gezicht begravend in haar hals overvalt hem een drieste oerdrang. Zijn verbaasde blik over haar grenzeloze liefde voor hem doet hem elke grens overschrijden.
Hij omvat haar hals, zijn wijsvingers raken elkander bij de toppen in haar nek, zijn duimen ter hoogte van haar hals. Niet alleen zijn lid maar zijn ganse lijf en zijn willen in haar, net zoals zij in hem.

Beiden voelen keer op keer de liefde voor elkaar die hen nooit voldoende is ondanks haar onmetelijkheid.

De minuten na het exploderen van hun koppen en vloeien van zaad en sap, het rustiger worden van hun razende harten voelen ze bevrediging. Zijn ze thuis.

Hun blikken strelen, tot beider blik verlangend spreekt: Dans opnieuw met me.

Tom

Schaam u

Meer dan dertig mensen aan stukken gereten, en een paar verdiepingen vol gewonden. Tot zover de feiten waar eigenlijk niemand meer bij stilstaat: een hoop zonen, moeders, dochters, vaders die elkaar verloren. Zij zullen geen discussies meer samen voeren, kalkoenen verorberen op nieuwjaar, lui op de sofa liggen, een zak chips opensnokken bij een film, ongedurig aan een kassa staan in de supermarkt, geen straaltjes speeksel zeveren in elkanders armen slapend.

Dat interesseert, behalve zij die iemand verloren, geen enkele beleidsvoerder.

Nadat de galm van de ontploffende gordelbommen wegebde, de stukken rondvliegend glas vielen, de ledematen en stukken vlees neerploften, het stof ging liggen, werd het een paar seconden stil.

En toen gingen alarmen loeien bij de machthebbers en hun discipelen. Als een stampede losgeslagen koeien en stieren liepen ze riching nergens. Het enige doel waar ze al hun energie en pijlen op richtten was en is: Op wie o wie schuiven we de verantwoordelijkheid voor ons jarenlang zelfvoldaan vadsige beleid? Hoe redden wij ons hier uit? Als een stel kinderen die beseften dat ze iets niet koosjer uitvraten.

De afgelopen vijftig jaren werden er meer postjes, deel dit en regionale dat regeringen uit mouwen geschud dan daadwerkelijk besturen. Een land met evenveel inwoners als de stad New York, waar een burgemeester volstaat, staat nu in zijn blootje met al haar zelfuitgevonden regeringen en commisies.

En wat doen de heren politici? Als radeloze hongerige ratten elkanders keel oversnijden. Iemand moet de schuld, behalve zijzelf. De truuk van op de vorige regering te schuiven heeft het volk onderhand door. Werkt niet meer. Inventiviteit is nodig. Energie wordt gestopt in schuld schuiven op, niet in handen uit de mouwen en daadwerkelijk doen.

De persoonlijke adviseurs en imagebuilders van de heren politici draaien overuren. Terwijl zijzelf huilie huilie in een hoekje ziten en zichzelf slachtoffer vinden.

Schaam u meer dan netjes vergoede verkozene. U deed niets. En wat erger is, u leerde niets van deze schandelijke daad. Of toch, u zo mogelijks nog schandelijker te gedragen.

Tom

Volgende pagina →