Hij aarzelde, maar raakte toen licht haar schouder aan. De vrouw draaide zich om. Opende haar mond om hem te vragen waar hij de verdomde moed vandaan haalde haar aan te raken. Zijn blik maakte meteen komaf met haar plan.
Zijn ruwe beschadigde huid en blauw-groene ogen stelden een vraag. Zonder woorden. Wat is er loos met je?
“ik wil er niet meer zijn,” Ze schrok van haar ontboezeming op de volle tram.
Ze voelde de blikken van haar medereizigers priemen. De ene beschuldigend. De ander meelevend. De volgende medelijdend. Het stoorde haar mateloos dat in elke blik een oordeel schuilde, hoe goed bedoeld sommigen ook.

Behalve zijn blik, die vroeg door. Zonder woorden las ze zonder oordeel: Waarom?
“Er valt niets te rapen voor me wat nog de moeite is in dit banale bestaan. Ik ben moe. Doodmoe. Ben het sollen van iedereen met iedereen moe. De ongemeende lachjes. De gemeende verwijten van alles en iedereen” ze kon het niet weerstaan te antwoorden op zijn woordeloze vragen.
De oordelen van de omstaanders prikten nu als gemene naalden. Diepe haat welde in haar op.

Hij legde zijn hand op haar wang. Verbaasd was ze door de zachtheid van zijn huid. Zijn gelittekende gezicht en bondigheid straalden allesbehalve zachtheid uit.

“Laat niemand je iets bevelen, wees jezelf,” hoorde ze nu zijn stem. Een diepe stem. Hij draaide zich om en stapte de net gestopte tram af.

Beduusd bleef ze achter. Hij had net haar leven gered.

Tom

Leave a Reply