Vervolg op: Tachtig jaar had het me gekost

Het naar gaarkeuken ruikende hol waar ik de afgelopen winter weinig anders deed dan slapen, eten en lezen hing me de strot uit. Het was op dat moment dat hij zichzelf binnenrolde in wat ook zijn eindstation zou worden. Geen vinger kon hij verroeren. Het enige deel aan dat lijf wat nog een aantal centimeter kon bewegen was zijn hoofd. Van links naar rechts en vice versa, van boven naar onder en vice versa. Tegen zijn kin zat, via een stang die bevestigd was aan zijn rolstoel, iets wat op een tennisbal leek. Dat liet hem toe de rolstoel te bedienen.

Hij trok mijn aandacht. Niet elke dag kwam hier op eigen houtje een lamme het pand binnengedenderd. Niet alleen het pand vlamde hij in maar ook in mijn bestaan. Hij was zeker tien jaar jonger dan ik. Hij behoorde tot de categorie jongeren die niet meer in staat waren voor zichzelf te zorgen. In een ziekenhuis hadden ze hem er wellicht uitgebonjourd en een familie waar hij terechtkon had hij misschien niet. Of wisten niet wat met hem aan te vangen en hadden als oplossing deze parkeerplaats gevonden.

Zijn eerste daad was de woonkamer binneracen en twee stoelen omverknallen. Het amper kunnen bewegen van zijn hoofd belemmerde zijn gezichtsveld. Zijn rijstijl was er een van rechtdoor. De blik in zijn bleekblauwe ogen achter de dikke brilleglazen vrank. Abrupt kwam hij tot stilstand. Geamuseerd keek ik toe hoe het personeel kwam aangesneld. Hem probeerden naast een tafel te manoeuvreren. Want onder de tafel lukte niet. Daarvoor was het elektrische gevaarte te hoog. Hij liet zich niet zomaar commanderen waar te moeten zitten of staan. Een klein hendeltje op de armsteun liet ook toe de rolstoel manueel te bedienen. Een van de verplegers probeerde het. Maar dat liet hij niet zomaar gebeuren. Hij had zijn kin. En het werd een gevecht tussen kin en verpleger. Kin won. Hij duwde simpelweg volle kracht tegen de tennisbal en ramde zowaar nog vier stoelen omver. Eenmaal die klus geklaard maakte hij een soort vierkant beweging. Meter links, links, links. En stond klaar als een stier om de verpleger die een paar meter verderop stond te lijf te gaan. Zijn ogen gericht op de verpleger. Zonder te verpinken.
Hij opende zijn mond. Het vergde een enorme krachtinspanning van dat verlamde lijf te spreken.
“Ik sta hier goed” raspte zijn stem fluisterend.

De woede van de jonge verpleger om deze onwillige oude zak gutste uit zijn ogen. Zo bleven ze nog een minuut, een paar meter van elkaar verwijderd staan. Onzekerheid drong binnen in de ogen van de verpleger. De strijd was gestreden. De lamme won.

Werd vervolgd

Leave a Reply