Vervolg op: Mijn geboorte

“Je ontbeet niets!” de berispende stem van het kind dat haar dienbladen leeg verwachtte in de kamers van de oude knarren zodat ze snel naar de keuken kon karren.
“Ik leg die boterham wel op mijn tafel,” zei ik en dronk snel de kop lauwe flauwe koffie leeg zodat ze kon afruimen.
Ze deed tenslotte ook maar haar werk aan een of ander armetierig loon in dit wachtgebouw naar het einde.
“Wat kijkt u vrolijk,” zei ze. Even was haar routine onderbroken. Ze had me echt gezien voor een keer.
“Ik moet niets,” antwoordde ik haar. “Kostbaar goed.”
“Wat een luxe” mompelde ze terwijl het nu lege dienblad nam en de gang opstapte.
Ik hoorde de wielen van haar kar stil over het linoleum glijden.
“Wat zullen we nu eens gaan doen?” zei ik luidop in mijn ouwe mannenpyama gezeten op de enige sofa die deze kamer rijk was.
De boterham met een laagje confituur van een of andere rode fruitsoort bekeek me niet met een blik van: Peuzel me op, ik ben lekker!

Het was zaterdag. Ondanks het geen bal meer uitmaakte welke dag het was vond ik weekenden altijd aangenaam. Ze maakten me blij. Niemand hoefde tijdens de weekenden zich verplicht voelen om hier een paar uur op bezoek te komen met een rist verveelde koters. Die boodschap had mijn dochter goed begrepen blijkbaar. De laatste maal dat ik haar hoorde was vanuit een Zuiders land, nu 10 jaar geleden. Kinderen zouden daar niet toe verplicht mogen worden: Liefde voor opa! Dat leerde ik van mijn grootvader. Die trok zich ook nergens iets van aan behalve wat hij zelf belangrijk vond of van hield. De rest is vals gekwaak.

Ook vandaag zou ik mijn zwarte jeans aantrekken, zwarte trui en wandelstok nemen. Een wandeling maken buiten dit naar formol en gaarkeuken ruikende gebouw. De geur van de stad opsnuiven. De laatste nog werkende dieselbussen zouden mijn geheugen doen in werking treden. Mijmeren deed ik nooit. Mijmeren is voor losers.

“Ik neem een blad papier!” zei ik met luide rokersstem tegen niemand. “En schrijf voor niemand op wat ik te vertellen heb!” En schoot in een luide lach.
Meteen kwam een in een burger gekleedde verpleger in de kamer kijken of het wel goed ging.
“Never been better!” riep ik hem toe.

Al het personeel in dit oord ging in gewone kledij gekleed. Kwestie van de lol er wat in te houden en het niet op een ziekenhuis te laten lijken. De ziektes waren hier sowieso kort. Of je je werd naar een echte kliniek gevoerd om daar je laatste adem uit te blazen. Of je werd dood gevonden in de ochtend in je slaap. De gelukzakken kregen een plotse beroerte en gingen meteen de hoek om.

Werd vervolgd: Tachtig jaar had het me gekost

TFL

Leave a Reply